Het pad is te smal, de grond te drassig. Niet voorzien op de wielen van een rolstoel. Ik kan niet meer terug, ben al te ver. Je hoofd schudt en slingert. Je laat je gewillig naar boven duwen, alsof het jouw beslissing is om op deze hoge graslanden te eindigen. We hebben ze samen ontdekt, lang geleden, tijdens de jaren van belofte en schuld. En herontdekt tijdens onze kinderloze tweede jeugd, de vrijheid van het lege nest, de inhaalmanoeuvers, de bucket list. Dat was voor je benen het begaven, voor je binnenkant verbrokkelde, voor het licht uitging. Mijn handpalm zocht je niet meer, je vezels herinnerden zich niets.
We komen boven de struiken uit. Op een heldere dag zouden we de vallei kunnen zien, het afgeleefde dorp, de rotonde met richtingaanwijzers naar de oorden van bezigheid. Op goed geluk duw ik de rolstoel verder. Het pad houdt op, alsof het niet echt een pad is maar de doorsteek van een kudde geiten. Waar de hellingsgraad vermindert, verspreiden de sporen van hun hoeven zich. Je knikt bij elke put waarin de wielen kantelen. De regen deert ons niet. Dit is onze laatste gezamenlijke inspanning. Je kijkt naar me op als ik de rem opzet. Om uit te hijgen. Omdat deze plek even goed is als een andere. Je kijkt naar me. Je ziet me niet. Je ziet niets. Misschien wil je dat dit gehotsebots eeuwig blijft duren.
Dat ene straaltje zon tussen dat pak wolken, ik weet niet waar het vandaan komt. Het verlicht je lange grijze haar, nooit meer bijgekleurd sinds de dag dat je de weg naar ons huis niet terugvond. Je strandde kilometers verderop. Irene vond je met je voorhoofd tegen haar achterdeur. Had je onbewust mijn voetspoor gevolgd? Wist je van mijn escapades? Wist je dat Irene niet langer jouw vriendin was maar mijn vriendin? Sakkerend bracht Irene je terug. Sakkerend op mij. Alsof ik jou niet al die tijd heb gevoed, verschoond, gekleed, bestudeerd, getest, dooreengeschud. Toegebruld. Wie ben ik, Friede, zeg me wie ik ben. Je herkende mij alleen nog zoals een huisdier zijn baasje herkent. Je rook aan het voedsel dat ik je voorzette. Je vingers in mijn hand bewogen als die van een kind. Je zat tussen de planten die ik nog een tijdlang begoot en daarna steeds vaker een dag oversloeg, tot ze allemaal doorbogen, Ficus, Aloe Vera en jij. Je neeg naar de bodem, altijd maar dieper, tot de bodem bereikt was.
Ik trek een regenjasje over je fleece en zet je mijn muts op. Hoewel je aan hoofddeksels altijd een hekel had, komt er geen protest. Ik heb een blad vol handgeschreven woorden klaar maar door de regen lopen ze in elkaar over. Wanneer ik mijn gezicht tegen je wang druk, geeft deze mee. Je hangt helemaal achterover. Ik laat je los. De rolstoel wankelt. Vanop het geitenpad kijk ik nog eenmaal achterom. Je blik volgt me niet.
Beneden gekomen ril ik van de afgekoelde transpiratie. Mijn broekspijpen hebben de kleur van de modder. Wandelaars monsteren me argwanend, alsof ze weten dat ik een rolstoel heb achtergelaten. Een rolstoel met iemand in. Ik ga opzij om ze door te laten. De gids van de groep gromt iets tegen me maar ik schud het hoofd. Ik weet dat ik er niet vanaf geraak, van het beeld van haar, alleen op een hoog plateau, de mond vol speeksel, de ogen vol nevel, de wangen nog zacht. Lange haren, lange vingers, lange nek, zelfs in haar rolstoel behoudt ze haar elegantie. Ze heeft me altijd vertrouwd. Toen ik te laat thuiskwam. Toen de kamer vol rook hing omdat ze het vuur was vergeten. Toen helderte haar verliet. Haar beeld zal me blijven volgen, ook al vervaagt het tot gestalte, silhouet. Ik stap in mijn wagen en wacht. Heb ik haar genoeg slaapmiddel toegediend? Zal het werken voor de vrieskou intreedt?
Ik reken op een harde, droge winter, zodat niemand op het plateau iets te zoeken heeft. De tijd moet ongestoord zijn werk kunnen doen. Koude nachten moeten van Friede poreus gesteente maken, verpoederd, uitgehold van binnen, alleen nog bijeengehouden door de rode algen.
Drie uur in de ochtend, een hond huilt in het dorp. De temperatuur blijft boven nul. Zit zij nu te rillen, te vechten tegen de slaap? Is ze met rolstoel en al omgevallen? Wordt ze opnieuw wakker door de ijzige wind? Ik stap uit mijn wagen.
Het geitenpad is niet meer te vinden. Mijn vingers verliezen elk gevoel, mijn tenen vinden geen grip. In een achterbakse voor verzwik ik mijn beide voeten. Ondanks de pijn wroet ik mij naar boven. Ik strompel rond op het grasland. Overal heeft de wind vrij spel. Bevind ik me op hetzelfde plateau als daarnet? 's Nachts is alles anders. Ik kam alle begaanbare plekken uit. Ze is er niet meer. Niet zij, niet de rolstoel. Ik speur de randen af, kijk in het niets. Het is te donker. Ik geef het op.
Ik probeer de wagen onopvallend te starten. De motor loeit zo hard dat ik er meteen de sleutel uittrek. Ik open het portier en luister. Achter geen enkel raam wordt een licht aangestoken. Dit dorp is ontvolkt. Nogmaals in het contact. Met gevoelloze onderbenen ontkoppel ik en geef gas. Geduldig kruipt de auto de weg op. De lichten houd ik gedoofd tot ik tussen de bomen zit. Ik concentreer me op de gebroken strepen in het midden, hopend dat deze mijn gedachten volledig opslorpen. Maar de strepen zijn te dun om de binnendrijvende reminiscenties tegen te houden. Door de mistbanken heen zie ik hete thee gemengd met honing en voel ik haar laatst gedragen nachthemd door mijn handen glijden.
In het ochtendwit stop ik voor Irene's huis. Hoe ben ik hier geraakt? In een grote cirkel gereden? Ik ga achterom en stoot de achterdeur open. Irene zit er met koffie en een krant. Ze kijkt niet op.
'Irene,' zeg ik.
'Ik zag dat je gebeld had. Ik ben tot bij jou geweest maar je was niet thuis. Ik ben de hele nacht opgebleven, Alex, de hele nacht.'
'Friede is verdwenen,' zeg ik. 'Ik vind haar niet meer.' Irene vouwt haar krant dicht. Ze drinkt haar kop leeg. Ze zet haar handen op het tafelblad en hijst zich recht.
'Friede is al drie jaar dood, Alex.'