×

Verplaatste personen

Niemand kent mij

 

Bolivië, oktober 1989. De Maria Isabel bracht mij in vijf dagen van Trinidad naar Guayaramerin. De Maria Isabel was een rivierboot die vooral bakken Coca-Cola transporteerde. De bemanning bestond uit indianen en twee hispano's. De ene had een fascistenkop en snoefde tegen iedereen over zijn baantje. Twee gelukszoekers met wie ik de zijbarge deelde, vormden zijn publiek. Ik noemde hem Adolfo, al leek hij een typische fascist van de tweede rij: wou wel gezien worden maar toch liefst niet vooraan. Je weet maar nooit. De kapitein was van 's ochtends al beschonken en voorzien van een door voorhamers ingedeukt voorhoofd. Volgens mij was hij ook een fascist maar dan eerder langs de zijlijn. Morren, stoken en knorren. Zei nooit ja als hij neen kon zeggen.

De eerste avond al werd mijn 'ticket', twintig dollar erdoor gejaagd. Het was bij een vissersdorp, twee huizen en drie café's. Het eten werd overgeslagen, meteen liet men cerveza aanrukken. Hoe luidde salud in flamenco?

'Schol', zei ik.

'Eskol', probeerden ze.

'No: skol. S.K.O.L.'

'Oooo... Eskol!'

Het drinken liep uit op een afvallingskoers. Adolfo was de eerste die zijn kop liet hangen. De indianen waren hun naam vergeten maar zouden liever sterven dan het op te geven. Met geregelde tussenpozen werden de geledigde flessen op tafel geploft met triomfantelijke 'Eskol!'-uitroepen, ten teken dat ze een ronde voorlagen. Opgeven zou uiteindelijk iedereen, in meer dan één betekenis. Over de reling in de rivier. Ik zou wakker worden met een kop van wormstekig scheepshout en vaststellen dat we vaarden.

Voorbij Santa Ana, het arendsnest van drugbaron Roberto Suarez, verdwenen de gelukszoekers en kwam de Pummel aan boord, een mannetje uit de jungle. Hij botste wel zeventien keer tegen mijn hangmat, legde alles op wanorde en trapte steevast op mijn muggenspiraaltje. Ik probeerde mij voor te stellen hoe zijn blokhut er vanbinnen moest uitzien. Hij zorgde voor de aanlevering van reuzeschildpadden die op het bovendek op hun schild werden gelegd. De bedoeling was de beesten uit te drogen en vervolgens te slachten. Vervuld van medelijden kiepte ik er tijdens de siesta stiekem wat emmers water over uit.

Na vier dagen zag ik aan de oever een dorp met de toepasselijke naam 'Surpresa'. Van hier af aan volgde de rivier de grens met Brazilië.

Nog een dag later kwam ik aan in Guayaramerin waar ik zou kennismaken met Gerard Boudewijns, zeevaartkundige, pianist en ontwikkelingshelper. Met zijn Thaise vrouw en haar jongere zus was hij naar hier gestuurd om een scheepswerf te helpen opstarten. Het verhaal van hun aankomst is tekenend: per vliegtuig tot Cochabamba, per jeep tot Puerto Villaruel en vervolgens per speedboat. Het regende dat het goot. De boot raakte een tak onder water en ging over de kop. De Thaise verdronk bijna, alle bagage was doorweekt. Een trage barge (die waarmee ik gekomen was?) zou de speedboat verder slepen. Anaconda's loerden van onder het slijk.

Gerard vindt mij een geschikte partij om zijn schoonzus eens mee uit te nemen. El Palazio del Trabajadores was een nette tent, daar moest ik met het meisje naartoe. Zij reed met de Suzuki 250, ik zat achterop. Het was geen zicht. In zo'n pioniersstadje vol macho's is dit erom vragen. Schampere commentaren: ... kijk eens, die oosterse met haar gehandicapt broertje..", ten minste dat was wat ik eruit opmaakte. El Palazio del Trabajadores bestond maar trabajadores zag ik er niet. Er zat geen kat. Op de plaza gingen we dan maar een ijsje eten. We waren snel uitgepraat: ons gemeenschappelijk vocabularium beperkte zich tot yes, no, sawadikaa en ko'kun'khraa  Wat doet zo iemand hier ganse dagen? Haar zus helpen in het huishouden, wellicht. Gerard en zijn twee Thaisen in Guayaramerin: verplaatste personen.

De volgende dag stak ik de grens over.

 

 

 

 

The thing with Tony

 

... Well, it can happen to the best of us...", zei de langharige Brit.

We vormden een gelegenheidsdrinkersgezelschap op het terras van een gele bar te Rio. Britten, Auzzies, schaars geklede dames en wat regelneven die hard hun best deden om er bij te horen. 

... En hoeveel ben je dan kwijt", vroeg langhaar.

... Duizend dollar, mijn camera, mijn papieren".

In een onooglijk plaatsje in het Noorden was ik in een handig opgezette val gelopen. Mensen hadden me bedrogen, andere me weer geholpen. Wat volgde was een driedaagse busreis naar Rio en een odyssee doorheen banken, consulaten en immigratiediensten. Kreeg maar geen nieuw visum vast. 'Big problem for you', zeiden corrupte ambtenaren. Na de sluiting der kantoren sleepte ik me elke dag terug naar de gele bar. Naast drugsverslaafden en hoerenlopers trof ik er ook straathoekwerkers en marxistisch gevormde sociologen aan. Toen ze hoorden dat ik uit België kwam, begon een van hen, professor Gilson een uiteenzetting over Prigogine te geven. Maar Prigogine én in het Portugees, dat was me van het goede teveel. De Auzzie die Gary heette, nam me apart. Hij was 45 en zat hier al bijna een jaar. Hier? In dit hotel? Ja, hier... hij geraakte hier niet weg.

... I probably have aids now..."

Even later zwaaide hij naar een klein Indisch uitziend mannetje dat prompt onze kant opkomt.

... Looks like Tony's back in town"

Tony schudde mijn hand en vroeg meteen of ik hem geen honderdje kon lenen.

Omdat ik niet antwoordde, versprong zijn aandacht naar twee Amerikaansen die er waren komen bijzitten.

... You and you!... I want my sisters at my righthandside!"

Ook de langharige Brit schoof bij. Het zinde Tony niet. Als trillende terrier sprong hij op: ... come on up, you, I'm waiting" (boksbewegingen gesticulerend).

... You and me, chief", zei Gary tegen de Brit, doelend op de meiden.

... Get the f*** !!", tierde Tony en stoof weg.

... Sao Francisco!". Zo noemde Gary elke Braziliaan die hij niet kende. Omdat het te lang duurde gooide hij zijn glas tegen de keien. Twee kelners kwamen toegelopen.

... You're drunk, Gary."

... Off course I'm drunk, I've been drinking for the last two years."

En tegen mij: ... Waar moet jij nu ineens zo snel naartoe?"

... Naar het Maracana-stadion. De derby, weet je, Fla-Flu".

... Wat is dat, paarderennen?"

... Flamenco-Fluminense."

De volgende dag waren we weer met zijn allen trouw op post. Ik had net wat reischeques gerecupereerd en kon voor het eerst eens tracteren. Enkel Tony ontbrak.

... Hij zei dat hij on a big shot was."

... Dat kan niet anders dan de safe van het hotel zijn."

Er kwam nog een hooligan bijzitten.

... Mornin' Ritchie."

... I just got my pay. I'm smashed." Zo zag hij er ook uit.

... Ik moet even naar het toilet."

... Take care, you might get mugged underway."

En zo kabbelde het verder. Af en toe riep Gary ... Sao Francisco!" maar het bier was traag en lauw. Er reden affiche-auto's rond van presidentskandidaten. Bri-zo-la, bri-zo-la. En A-fi-fe, allicht een verbastering van Aziz. Op de hoofdweg betoogden dan weer Lula-aanhangers. Als Lula wint, had Gilson beloofd, schrapt Brazilië zijn buitenlandse schuld. Wat een vooruitzichten!

... The thing with Tony", zei Gary terwijl hij zijn lauw bier weggoot, "als hij in de buurt is, wil je van hem af, en als hij een paar dagen weg is, vraag je je af waar hij blijft. Want, zie je, he's good entertainment."

Tony dook al snel terug op. ... I just killed someone!"

En omdat ik alweer niet reageerde: ... You wanna get laid, to-nite?"

De volgende dag verloor Lula de verkiezingen terwijl elders ter wereld de Berlijnse muur viel. Ik kocht een ticket naar Ouro Preto. Ik heb nooit geweten waar Tony vandaan kwam, noch wat er van hem geworden is. Ik nam hem op in mijn reeks 'verplaatste personen'.

De reeks is eindeloos. Ik ontmoette Somalische studenten in Nanning, een Duitse buschauffeur in Dodoma, en Salim, de Pakistaanse garagist op weg naar Bujumbura.

 

 

Het verplicht nummer

 

Salim is het hoofdpersonage uit V.S. Naipaul's roman Een bocht in de rivier. Ik ontmoette hem op de M.V. Mongoza die ons over het Tanganikameer naar Burundi zou brengen. Salim heette in feite Guy. Zijn Duitse vrouw was van hem gescheiden en met hun dochter terug in Duitsland gaan wonen. Over de zwarten moest je tegen hem niet beginnen. ... Ze kunnen niets netjes houden", was zijn slotoordeel.

Laat op de avond werd ik aangeklampt door drie Zaïrezen. Ik voelde dat het 'verplicht nummer' eraan kwam. De drie, studenten nog, speelden de verongelijkte uitgebuite armen van de wereld. Ik werd in de rol van schuldbewuste ex-neo-kolonisator geduwd. Ik had er geen zin in. Ik bestelde voor elk een limonade maar dat zou mij niet redden. Wist ik dat er ruzie was tussen hun en mijn land?

... Une histoire de mots", probeerde ik wijfelend want het nieuws was me ontgaan.

... Exactement ... , zei de woordvoerder van de drie, ... des mots, des insultes!"

Ik wist even niet hoe ik moest kijken maar Guy kwam me ontzetten. Zijn Frans was inpeccable. Hij stak een lang vertoog af over kolonialisme waar de drie niet goed van waren. ... ... Jullie zijn 40 jaar gekoloniseerd geweest... kijk toch eens aan. India heeft 250 jaar onder de Britten gezeten. En Griekenland door de Romeinen: 700 jaar. En dan spreken we over landen waar toch al beschaving was." (Heftig geknik bij de drie). ... Weet je wie de racisten zijn in Afrika? De zoontjes van jullie ministers die in Zwitserland gaan studeren en het ginds aldoor hebben over les petits nègres..." (Gelach bij de drie). Guy ging verder met een ware lofzang op de Belgische kolonisatoren, in de mate dat ik er me ongemakkelijk begon bij te voelen. Ten slotte belandde hij waar hij wou toe komen: ... Les Africains, ils veulent tout et tout de suite. Ils veulent des wc's européens mais ils oublient qu'il est nécessaire de les nettoyer! Et oui messieurs, il faut nettoyer les wc's !".  Nadat de drie verbouwereerd hun cabine hadden opgezocht, keek Guy mij triomfantelijk aan: heb je nu gezien hoe je ze moet aanpakken?

 

Het verplicht nummer uit zich ook op andere manieren. Een Australiër, die mij bij hem thuis had uitgenodigd, was in de wolken toen hij mij uit het station zag komen wandelen. ... Fantastisch dat je er bent! Kom mee! We zijn nog net op tijd voor de zeilwedstrijd!"

... Zeilwedstrijd?"

... Ja, jij mag het kopzeil doen, ik heb dat geregeld!"

... Kopzeil ??"

De bemanning ontving mij als was ik een begrip in de zeilwereld. Eenmaal de race onderweg was, hadden ze snel door dat ik zelfs stuur- en bakboord niet uit elkaar kon houden.

... Tacking!"

... Mind ye heads!"

... Shy wind on the portside!"

... Shall I run the spinnacker?"

... Not now! We're above it!"

... Bums on the gun'll !"

Ik mocht me beperken tot het aanreiken van bierblikken. Maar 'we' wonnen wel de wedstrijd..

 

Mijn onbetwiste hoogtepunt inzake publieke optredens maakte ik in Ruili mee, een Chinees stadje aan de grens met Birma. De busreis daarnaartoe was verwoestend geweest voor het gestel. Tijdens de 30 uur hotsbotsen had ik mij gespecialiseerd in het vakkundig afdammen van de braakselstroom die voortdurend mijn rugzak bedreigde. Bij aankomst koos ik resoluut voor het duurste hotel van de stad en viel in een ondergrondse slaap. 's Avonds werd ik wakkergebeld. De patron nodigde mij uit te souperen in de bar. Naderhand bleek dat het om een karaokebar ging. Het eten beperkte zich tot wat geparfumeerde nootjes. Algauw kwam de kat op de koord: dit bleekgezicht werd met zachte dwang aangemoedigd plaats te nemen op het podium. Op een scherm verscheen 'Scarborough fair'. Ik mompelde noodgedwongen mee. Hard applaus. De patron bemerkte mijn gène en schonk mij een kloek glas rijstwijn in. Hebben we nog een Engels liedje? We hebben er zowaar nog één: 'Sealed with a kiss'. Zingen maar. In het gejoel verloor ik de juiste toonhoogte maar een kniesoor die daarover valt. Vertwijfeld zocht ik de uitgang.

 

 

Herontmoetingen

 

De conducteur gidste mij naar het juiste perron. ... One down", zei hij.

... Mag-zines! Eng-lish ! Co-mics ! No-vels !", klonk het ter afwisseling op de col'drinks en de chai-chai. Ik zat op One down, de Howrah Mail, de oudste spoorlijn van India. Van Bombay naar Calcutta (de omgekeerde richting heet dan heel simpel 'One up'). In Bombay V.T. Station was ik een oude bekende tegen het lijf gelopen: Abraham Mondzan, theologiestudent uit Nagaland. Twee jaar tevoren had ik hem ontmoet in het Papal Seminary te Poona, waar ik te gast was bij een familielid. Toen had Mondzan me per fiets rondgeleid doorheen de stad. Nu was hij het geweest die mij ontwaard had in de menigte. Eerst vroeg ik nog: ... are you from Japan?" ... Maar", zei hij, ... herken je me dan niet?"

Wat je noemt, één kans op 800 miljoen.

Tussen twee ontmoetingen kan ook best een hele poos tijd zitten. Toen ik nog student was, overhaalden twee vrienden me om met hen mee te reizen naar Birma en Thailand. Omdat we na zes weken een beetje op elkaar uitgekeken waren, trok ik  op mijn eentje van Bangkok naar Aranyaphatet, aan de grens met Cambodja. Die grens was oorlogsgebied: vluchtelingenkampen, de khmer rouge, de UNO, Vietnamese troepen aan de overkant, mortiervuur. Ik had Dispatches van Michael Herr gelezen en wou my fair share of abuse, zoals de Rolling Stones plachten te zingen. Het viel knap tegen: geen journalist was ik, geen militair en al helemaal geen aid worker. Ik kon beter mijn biezen pakken, vond de vice-adjunct-waarnemer bij wie ik mij aanmeldde. Een Thaïse spoorwegbediende was heel vriendelijk en verschafte me onderdak bij zijn gezin. In de namiddag liep ik in het plaatsje rond. Aan de rand van de bebouwing zag ik een figuur, een graatmagere bebrilde Fransman die met zijn overgekomen ouders rondkuierde. Hij was infirmier. In de verte dreunde mortiervuur. 's Anderendaags vernam ik ik de krant dat het grootste vluchtelingenkamp was aangevallen.

Ik heb later beseft dat het die uitstap was, een reis binnen een reis als het ware, die de déclic heeft betekend voor mijn latere omzwervingen. De klamme treinreis, het onbestemde verlangen, de ontgoocheling en het snelle herstel hiervan, een figuur die door zijn pure aanwezigheid op dat ogenblik een welhaast mythische status krijgt, hier wou ik deel aan hebben. Tien jaar later, op een vlucht met een aftandse Tupolev van Bangkok naar het intussen 'vrije' Pnon Penh hoor ik achter me een druk gepalaver in het Frans. Ik kijk om en herken hem meteen.

... Est-il possible que je vous ai vu à  Aranyaphatet, au début des années '80?"

... Oui, et vous? Comment vous étiez là ?"

Wat een vraag... ... Moi? Simplement comme touriste..."

Hij lacht. ... Ah bon, touriste à l'époque, et maintenant, toujours touriste?"

En de Khmer die naast hem zit: ... Elle est où, l'école?"

Herontmoetingen maken de ruimte overzichtelijk, de wereld kleiner. Bovenstaande voorbeelden zijn nog begrijpbaar, want ik trof beide figuren in hun habitat. Maar wat te denken van een voorval in het gebergte ten Noorden van Darjeeling, India. Het was nog vroeg op het seizoen en het sneeuwde. We hadden met drie mensen een instant groep gevormd. We wisten dat er nog een dorp kwam en ploeterden verder. Een schim kwam ons tegemoet in de avondmist. Een verkleumde blanke vrouw, zo bleek, snikkend in het Engels met een Schots accent. ... I lost my way. I hate to be a looser".

Later hoorde ik haar vertellen dat ze nog bij British Rail had gewerkt. Er ging me een licht op.

... Weet je", zei ik, ... toen ik lang geleden eens met de trein door Schotland reisde, kwam een meisje brochures uitdelen in de coupé's en ook wat informatie verstrekken. Ik herinner me iemand die heel erg op jou geleek." 

... !!?? What an embarrassment ! It was probably me !"

 

 

Conrad in Tanjungbalai

 

In september 1986 hadden we het plan opgevat om de Oostkust van Sumatra af te varen. We aten in een afbrokkelend eetstalletje en namen een scooter-taxi naar de haven van Medan.

Het plan bleek niet uitvoerbaar. Geen enkel schip ging die kant op. Trouwens, de tijd dat je zomaar een lift krijgt op een cargo-schip behoort tot het verleden. We maakten onze opwachting in de tourist office. Het wemelde er van bedienden en we kregen koffie. Hier zat een systeem in: werf voldoende personeel aan, dan zijn er altijd wel een paar die werken. Het werd kwart voor negen. We wachtten op de chef. Iedereen wachtte op de chef. Achterin ging een deur open. Daar was de chef, een kleine man die aan zijn gezicht te zien een stille wrok koesterde. Desondanks waren wij snel aan de beurt. Ferry? Schip? Neen, de chef kon ons niet helpen. Uren nog ploeterden we van de ene scheepscompagnie naar de andere. Iemand zei dat Tanjungbalai de plaats was waar dergelijke kusters wel eens aanleggen. Jan, mijn compagnon, geloofde het wel. Ik besefte dat ik er alleen voorstond.

In alle vroegte nam ik de trein die alleen maar uit derde klasse-wagons bestond. Afvalbelten, antennes en een drabbige kust vormen het uitzicht. Ik converseer via mijn schriftje met mijn medepassagiers. Kapal ke Riau dis ini? (Is er van hieruit een schip naar de provincie Riau?)  En prompt het antwoord: besok Hotel Benganawam ada sepia kapal untuk ke Beng kalis Riau (Vraagt u morgen  in het hotel na of  er een boot is naar Bengkalis). Informeren in het hotel dus. We kwamen aan in Tanjungbalai op het heetste van de dag. Mijn doen en laten werd door honderd paar ogen geveolgd. Ik weerde de taxichauffeurs af nog voor ze iets konden zeggen. Ik vroeg 'Hotel Benganawam' en iedereen lachte. Een man met een wilskrachtige pet had intussen mijn papiertje ontfutseld. Als ik het terugkreeg, stond erop te lezen:' you go with me  - with oplet?' (een driewielige fietstaxi). Dat vond ik pas origineel en met deze man, die Rustan Effendi heette, ontkwam ik de omstuwing. Hadden die mensen niets beter te doen dan de hele dag in de omgeving van het station rond te hangen?

Het hotel waarnaar ik werd toegeleid, was noch min noch meer een bordeel. Voor de vorm ging ik een kamer bekijken waar vliegen gonsden, zieltogend in de stank en de hitte. Rustan vroeg met de dood in 't hart of ik dan toch niet zijn gast wou zijn. Ik aanvaardde het contract: in ruil zou ik met hem tijdens de vooravond rondjes moeten maken. Blank gezelschap doet het prestige immers geen kwaad.

In een kantoor in de Jalan Asahan vond ik later op de dag mijn ticket voor Riau. Een cargo-cum-passagiers dienst, een schuit die de volgende dag (inshallah) zou vertrekken.

... Marie-Antoinette..." zei Rustan.

We zaten buiten bij een eethuis en de avond joeg het laatste zweet uit de poriën. Ik had hem verteld dat ik geschiedenisleraar was, een kwestie van het simpel te houden. Geschiedenis, ja dat zei hem wel wat en hij begon te grasduinen naar historische beelden die hij uit films kende. ... Marie-Antoinette... Mayerlinck affair... Quo vadis..."

Ineens begon hij over iets anders: ... Morgenvroeg moet je eruit. Mijn moeder komt thuis. Ze moet mensen voorbereiden op de Hadj, de bedevaart naar Mekka."

Ik had een foto gezien van een streng bebrilde vrouw in het zwart. Volgens Rustan sprak ze zelfs Nederlands.

... En jij Rustan, ben jij een moslim?"

... Statistische moslim."

En hij verklaarde zich nader: ... Teveel godsdienst is zoals teveel politiek. Het maakt de mensen corrupt."

Ten afscheid waarschuwde hij mij voor de gevaren in de jungle: muggen en pick-pockets op de boot. Maar hij vergoeilijkte het meteen. ... People steal from misery. No mentality-stealing. And now... I must go... to my sweetheart."

Hij verdween. Ik sloeg Conrad's Lord Jim open en las: Natuurlijk heb je hier en daar lieden voor wie het hele leven uit een lekker rokertje na de maaltijd bestaat, makkelijk, plezierig, leeg, misschien verlevendigd door een voorgewende strijd om het bestaan, al weer vergeten voor die gestreden is - lang voor die gestreden is - zo die ooit gestreden wordt.

 

 

Onschuld

 

De patrijspoorten van de Hidup Sidur hingen te kort boven de waterlijn, dat hadden ik en mijn rugzak mogen ondervinden. Onweer had zich 's avonds aangekondigd door een reeks onafgebroken weerlichten. De nacht was donker en rook naar het zeewater van de Straat van Malacca. Maar 's ochtends was de storm geluwd. We bevonden ons in een deltamonding. Het achteloze watergeklots joeg de vermoeidheid uit mijn hoofd. De eilanden maakten plaats voor het regenwoud, kleurloos en tijdeloos, achtergelaten door de laatste australophiticus.

We schoven in een zijarm van de Rokanrivier en gingen voor anker. Dit was Bagansiapi, het voorgeborgte van Riau. Een betjak bracht me langs de vijf kilometer lange straat - de enige van het stadje - naar de immigrasi. Ik zag golfplaten huizen, twee moskeeën, een kerk en overal afwateringen. De betjakman deed lastig over de prijs die hij op eigen houtje vertienvoudigde. Een douaneofficier kwam de ruzie beslechten en ontving me vervolgens in zijn kantoor. ... Vandaag is er geen boot meer", was het eerste wat hij zei. Ik had zelfs nog niets gevraagd.

De man heette Edi. Afkomstig uit West-Java was hij hier geposteerd, de ambities gesmoord in de moerassen van Sumatra. Hij was alvast getrouwd met een Hokkiën-Chinese. Ooit waren de Hokkiën door de V.O.C. naar Riau gebracht voor de mijnontginning. De tinmijnen bestonden allang niet meer maar de Hokkiën waren er nog, al hadden ze daarvoor uitbuiting, malaria en pogroms - vooral die van 1965 - moeten doorstaan.

Edi bood me onderdak aan. Ik sliep door de ochtend. In de namiddag wandelden we door de buitenwijken. Er was een voetbalmatch gaande. Ik hoorde hoe de stadionomroeper mij aankondigde als Orang Belgi - een talentscout? Mijn reputatie ging me vooruit. Een nerveuze jongen werd mij voorgesteld als de leraar Engels, al sprak hij die taal nauwelijks. Hij prikte een afspraak voor binnen een uur. Edi negeerde hem en stelde mij de vraag waar hij vast al uren mee in zijn hoofd zat: ... Is het waar dat overspel in het westen schering en inslag is?" Ik zei: ... Het is de keerzijde van de vrijheid. Vertrouwen is essentieel in een liefdesrelatie."

Edi begreep het zo niet. ... Liefde, wat is dat? Ik ben getrouwd maar ik weet niet wat liefde is. Wat heb je aan dat vertrouwen als je je eer verliest?"

Ik voelde dat we bij de kern zaten. ... We kunnen ons vergissen", zei ik."iedereen kan zich vergissen. Dan moet je je daar kunnen overzetten en als dat niet lukt moet je uit elkaar gaan".

Edi was hiervan allerminst onder de indruk. ... Vergeven en liefde betonen kan alleen God. Wij moeten leven volgens zijn voorschriften."

Ik bedacht: misschien biedt de islam aan mensen in de derde wereld precies die kracht die ze nodig hebben om op te kunnen tegen hun deprivaties.

Verder wandelend kwamen we opnieuw de leraar engels tegen, die zich uitputte in excuses omdat hij te laat op de afspraak was. ... Je moet nu niet meer afkomen", zei Edi, ... we zijn nu aan het praten".

In stadjes zoals Bagansiapi viel niets te zien en de conversatie met Edi vormde een aaneenschakeling van clichés. Maar ik reisde door de jaren van onschuld. De verwachting dat er meer zat aan te komen, gaf aan alles, elke boom, elke ontmoeting, elke krekel in de nacht een betekenis, hetgeen op zijn beurt de nomade in mij leven inblies.

De volgende ochtend vertrok ik weer, dievemans vroeg zoals dat in de tropen de gewoonte is. Toen ik op de wiebelende steiger verscheen, zag ik mijn schuit ervandoor gaan wat meteen mijn humeur kelderde. Maar na een uurtje kwam het gevaarte opnieuw aantuffen en nam mij aan boord. Doorheen de modder schoven we dieper het land in. Onder de passagiers bevonden zich twee militairen die het op mijn brousseschoenen gemunt hadden. Ze boden er zelfs een redelijke prijs voor. Wat? Niet te koop? Normaal gezien kreeg het leger in deze contreien altijd zijn zin. Voor de vorm gaf ik de mannen elk een dun sigaartje. Een kwestie van gezichtsverlies hunnerzijds te voorkomen.  Af en toe geraakte onze oude kraker vast in het slijk en moest dan weer op volle kracht achteruit - een andere vaarroute uitproberen. Toen het echt heet begon te worden, zag ik een visarend het zeegat kiezen. Het gaf mij het gevoel dat ik op goede weg was. De plannen klopten. Dit was helemaal mijn ding.    

 

 

Verschenen in WEL, Jaargang XVI, Nummer ¾, december 1999


© Ignace Pollet 2022
Contact
JeeWee ontwerp