×

De buitenslaper

 

Hij rijdt al lang niet meer om koersen te winnen. Hij heeft geen sprint, geen ploeg, geen begeleider. Nog maar zelden rijdt hij een wedstrijd helemaal uit. Vaak schrijft hij zich niet eens in. Het liefst vervoegt hij met een oud rugnummer het peloton net na de start, op het moment dat de wagens elkaar zenuwachtig in de weg rijden en de eerste vrijbuiters het sop kiezen. Bijna elke keer ontvouwt zich hetzelfde draaiboek, en nog steeds verbaast het hem. Een tweede groep stoomt op de vroege vluchters af. Hij haakt zijn wagonnetje aan, laat zich bij de vroege vluchters brengen en lanceert zich bij de eerste oneffenheid. Een boerenkassei, een vals plat, een spoorwegbrug. 'Schoppens is schampavie,' hoort hij soms achter zich roepen. Het komt van één van die paar spitsbroeders die hem nog kennen van bij de espoirs.

Ook vandaag is hij weer de cowboy van dienst. Pas na een solovlucht van anderhalf uur voelt hij in zijn zog de wedstrijdwagen. 'De aanval van de dag is andermaal voor rekening van Paul Schoppens, sportliefhebbers,' klinkt het uit de megafoon. Voor zover hij uit de summiere commentaar kan opmaken, liggen de eerste achtervolgers op bijna zes minuten. Hij draait de Grote Vreunte op. Waanrode bloemendorp, leest een affiche, pannenkoekenfestijn. De kerkklok geeft tien voor één aan. Is het niet al veel later? Hij houdt niet van tijdopnames. Hij is een baroudeur. Zijn enige ambitie bestaat erin om alleen te rijden, ver voor de jagende meute uit. Het geeft hem een verheven gevoel. Als een wild paard op de vlucht voor de horde krombenige premiejagers, wier levens alleen uit loodjes, nikkel en koper bestaat. Hij is beducht voor hun vunzige allusies. 'Het gat dichtrijden, hebben ze je dat thuis geleerd?' had een ploegleider hem ooit hardop gevraagd. Sindsdien verspreidden zich geruchten in het peloton. 'De appel valt niet ver van de boom.' 'Schoppens met het hol open.' Hij mijdt hun blikken. Bij de elite-zonder-contract kiest hij de langere wedstrijden uit. Zo kan hij lekker alleen fietsen.

Geen mens op straat. Te kort op de middag. De volgwagen heeft zich opnieuw laten afzakken. Niemand weet dat hij hier voorop rijdt. Niemand weet dat hij bestaat. Behalve Agostinho, zijn tweewielige kompaan. Die kent hem door en door, laat hem nooit in de steek. Hij rijdt Waanrode uit. De velden zijn door onbegroeide taluds van elkaar gescheiden. Op kilometer honderd volgt straks het keerpunt. Vanaf daar krijgt hij de wind pal op kop en zal het verval inzetten. Dit tempo kan hij geen volledige wedstrijd volhouden.

Ro-da-ni-a, klinkt het ver achter hem. De inhaalbeweging vervormt het geluid. Wat volgt straks nog? Schulen, Schaffen, Webbekom, hij heeft het roadboek niet echt bestudeerd. Uiteindelijk leidt het parcours toch naar die zes plaatselijke ronden, waar naar gewoonte alles weer samentroept. Tegen dan is hij al lang uit de koers. Terwijl hij nog eens goed doortrekt, snuift hij de zurige geur van Agostinho op. Heeft vast door dat de strijd alweer gestreden is, waarom ons dan nog langer vermoeien? Geef zo'n stalen knecht eens ongelijk.

Hij bedenkt dat er nog tijd is voor een bezoekje. Dwars doorheen een krans toeschouwers schiet hij een zijstraat in. Een seingever zwaait vertwijfeld, zich allicht afvragend met wie hij te maken heeft, een coureur of een poseur. Paul is alweer een straat verder. Bij huisnummer 70 gekomen stapt hij hijgend van zijn fiets. Mini is de ramen aan het zemen.

'Dag Paul,' zegt Mini met een scherpe blik.

Hij staart naar haar lenige lijf. Geel rokje, zwart truitje en haar sluike haar nog roder dan anders. Jong zal ze altijd blijven.

'Je mini staat weer mini,' wauwelt hij.

'Wat zeg je, Paul?'

'Mini, tante heeft gezegd dat je volgende week niet moet komen poetsen.'

'Ja, maar wat zei je daarvoor?'

De toon waarop ze het vraagt. Hij was beter niet gekomen. Thuis kan hij haar straffeloos met zijn ogen uitkleden terwijl ze de vloer dweilt, maar hier is ze op haar terrein.

'Ik ben je tante niet, Paul, ik heb geen zin in gezwets.'

Hij raapt zijn fiets op. 'Ik moet terug naar de koers, Mini, ik lig op kop.'

'Lig je op kop, Paul? Welke koers rijden ze dan?'

'De Montaigu Grand Prix, Mini, ik moet door.'

Hij voelt haar blik op zijn grauwe rugnummer. Al bij al heeft hij toch indruk gemaakt.

 

'Hela, dat mag niet,' zegt de seingever, maar Paul draait opnieuw het parcours op. Hij moet nog steeds een kleine voorsprong hebben. Het landschap verandert. Akkergronden maken plaats voor een wildernis van stoppelvelden, water en beton. Het doet denken aan zijn prille tochten, toen hij wachtte tot tante sliep om het huis uit te sluipen. Langs het kanaal vond hij een uitgelezen parcours voor een tijdrit. Bij de sluis stak hij over en keerde langs de andere kant terug. De eenzaamheid beviel hem. Het was beter dat hij geen mensen om zich heen had. Mensen waren herrie. Hij had het van dichtbij meegemaakt. Ruziemakende ouders, moeder schril en vader stil, en een enkele keer blaffend. Moeder was het huis uitgelopen en teruggekeerd met twee andere mannen. Paul sloten ze in het washok op. Hij hoorde hoe vader afgeranseld werd. 'Mag niet, hé,' riep een van de mannen, 'vrouwen slaan, stoute jongen. Vecht eens tegen jongens van je eigen leeftijd.' Hij was door schrik bevangen geweest. Ze hadden het over jongens, en de enige jongen in huis, dat was hij toch?

De frisheid heeft zijn lijf verlaten. Hij schakelt Agostinho een tand groter. De meute zit nu vlak achter hem, maar hij geeft zich niet gewonnen. Als hij het tot Schaffen uitzingt, kan hij vandaar op zijn kleine blad naar huis. Niemand zal zelfs weten dat hij uit de koers verdwenen was. Hij houdt ervan om chaos te creëren. Ooit is hij een keer een blokje om gereden om zijn achtervolgers, die op hem aan het jagen waren, bij te halen. De verbazing toen hij op de schouder van de laatste tikte. De Gerben Karstens-truc, was zijn antwoord aan de wedstrijdjury. De jury kon er niet om lachen. Gerben Karstens kenden ze al helemaal niet.  Gedeclasseerd werd hij, wegens het verlaten van het parcours. Alsof hem dat iets kon schelen.

Nog een tand groter en de wind alsmaar feller op kop. De tank is stilaan leeg. Hij beseft dat hij alleen op de ingebeelde dramatiek nog een poos kan teren. Hij denkt aan bekende coureurs die het begaven in het zicht van de meet. Eén beeld blijft zoals steeds hangen: dat van de ten onder gaande Merckx op weg naar Pra-Loup.  

Paul had Eddy's wanhoopsoffensief gevolgd op de tv van zijn tante, aan wie hij door de familieraad tijdelijk toegewezen was. Die nacht fietste hij eens zo hard. Tegen het ochtendgloren kroop hij op de sluis en zag zijn spiegelbeeld in het rimpelende water. Over zijn moeder wist hij alleen dat ze naar Findhorn was vetrokken, een hippiegemeenschap in Schotland. En Papa? Papa woont nu bij Erwin. De familie was karig geweest met uitleg. Gemompel over schandvlekken, ontaarde moeders en dan dat jong. Wat moeten we met dat jong? Hij kon niet anders dan wielrenner worden. Tante vond het best. Zijn schooluitslagen waren belabberd, dan kon hij maar beter iets doen wat hem lag. Tante had het druk met haar verzekeringsportefeuille. Op zaterdagavond kwam ze op een vast uur terug van de coiffeuse, voorafgegaan door een geur van lila pluchen zetels. Even later kwam een meneer haar oppikken, kale chique met een Citroën DS. Paul wist dat hij tot zondagmiddag het rijk voor zich alleen had. Hij stortte zich op frieten met stoofvlees. Later op de avond deed hij zich te goed aan tantes barkast. De fles cognac was zijn favoriet. Voor de tv viel hij in slaap, tot het fluittoontje van het testbeeld hem aan zijn fietsplicht herinnerde. Zijn vroegere schoolkameraden herkenden hem toen hij zich in de Stationsstraat lanceerde. 'Het is Schoppens,' vertelden ze aan hun verbaasde vriendinnetjes, 'de jongen die onlangs op school zijn schop heeft afgekuist.'

Hij rijdt Schaffen binnen. Elk moment kan een van de jakhalzen naar zijn wiel toespringen. Alles maar dat niet. Hij zwenkt naar rechts en bevind zich op een verlaten parking. Achter hem raast de wedstrijd als een sneltrein voorbij, klaar voor de beslissende fase. Getoeter, megafoons, een hitje uit vervlogen tijden. Hij ligt uitgestrekt op het warme asfalt. Ik ben je tante niet, Paul, ik heb geen zin in gezwets. Wat weet die zeepsopkoningin over zijn tante? Waarom zegt zo'n vrouw zoiets?

 

De veldweg ligt er slecht bij. Hij dokkert naar het alleenstaand huis. Op een leegloper meldt hij zich in de openstaande garage, waar een hypermobiel ogende man een deur staat af te schaven.

'Is mijn vader thuis?'

De man wijst met zijn hoofd naar de tussendeur.

Aan de keukentafel schenkt zijn vader hem bibberend een kop koffie in. Zijn blik is die van een oude hond die zich verzoend heeft met het eeuwige wachten.

'Lang geleden dat we je gezien hebben, jongen. Fiets je nog veel?'

Hij knikt.

'Ik heb gehoord dat tante een aanhouder heeft. Wordt het niet eens tijd dat jij apart gaat wonen? Binnenkort ben je vijfentwintig.'

Paul drinkt zijn kop in één keer leeg om niet te moeten antwoorden. 'Platte band,' zegt hij uiteindelijk.

'Erwin kan je band plakken als je wil.'

'Erwin blijft met zijn flikkerfikken van Agostinho af.'

'Jongen!'

Paul staat op, klaar om naar buiten te gaan. 'Wacht', zegt zijn vader. Hij stopt hem nog gauw enkele bankbiljetten toe.

Met zijn fiets aan de hand stapt Paul de hele veldweg af tot hij zich opnieuw op het wedstrijdparcours bevindt. Er is geen toeschouwer meer te zien. In een fietsenzaak koopt hij een nieuwe binnenband. De rest van de namiddag brengt hij in het zadel door. Terugkeren naar tante is het laatste waar hij zin in heeft.

'Wij zijn schampavie, makker', zegt hij hardop. Alleen Agostinho kan hem horen. 'Schoppens is schampavie. Hij heeft zijn schop afgekuist.'

Hij heeft zin in een bord spaghetti maar beseft dat op de meeste plaatsen noch zijn koersbroek noch zijn zweetlucht welkom zijn. In een grootwarenhuis koopt hij net voor sluitingstijd een T-shirt en een short. Hij verfriste zich in het toilet van een parochiezaal. Misschien komt het door het laffe weer dat niemand hem wat vraagt. Met het geld dat hij over heeft, bestelt hij zich in een baanrestaurant achtereenvolgens een pasta, een dame blanche, en een cognac. Hij neemt er de tijd voor. Bij het oplepelen van het ijsje hangen zijn armen zwaar door, alsof de lepel van lood is. Steeds meer mensen komen de tent binnen. Koppels, families en grotere groepen. Een garçon deelt hem mee dat zijn tafel eigenlijk gereserveerd is. Hij staat op en gaat naar buiten. Een ogenblik ziet hij alleen trillende strepen. Op zijn allerkleinste verzet peddelt hij weg. De garçon, die naast de ingang een sigaret rookt, steekt de hand op. Paul weet niet zeker of het voor hem is bedoeld.

 

Uren later dringt het tot hem door dat hij langs het kanaal fietst. Een duiveninstinct heeft hem hierheen gepiloteerd. Bij de sluis stapt hij af.

'Het is nu tussen ons, Agostinho,' zegt hij.

Behoedzaam sluipt hij langs de cabine tot op de sluisdeuren. Met wat geluk, denkt hij, hoort niemand de plons.

 


© Ignace Pollet 2022
Contact
JeeWee ontwerp