Wanneer de Antonov zijn landing inzet, probeer ik nadrukkelijk oogcontact met mijn buurman te krijgen. Bij het opstijgen hebben we elkaar de hand geschud. Daarna heeft hij de godganse vlucht lang geen woord meer gesproken. Ook toen ik hem vrijmoedig het doel van mijn reis uit de doeken deed, hulde hij zich in stilzwijgen. Ik ging verder, maakte hem deelachtig aan hoe ik over het leven dacht, de ijdelheid van elk streven, de volstrekte onbelangrijkheid van materieel bezit. Ik hoopte op een teken van enthousiasme en, meer praktisch, een contactadres. Maar aldoor bleef hij naar zijn schermpje staren, met af en toe een blik op zijn Rolex. Namaak, vermoed ik. Als ik straks de luchthaven buiten wandel, moet ik Jackie bellen in de hoop dat ze deze keer opneemt. Of anders per taxi naar Samora Machel Avenue en proberen het gebouw te herkennen. Als dat niet lukt, ben ik aangewezen op het soort hotels waar alleen zakenlui en consultants verblijven, categorieën waarvan ik niet langer deel wil uitmaken.
Voor het loket nationals, waar de thuiskomers druk telefonerend aanschuiven, schiet de rij goed op. Zonder nadenken heb ik er postgevat, tot ik mijn vergissing inzie. Als laatste vervoeg ik de andere rij, die van de internationals. Elke buitenlander dient eerst een visum aan te vragen alvorens zich naar door de gewone douane te begeven. Op het kaartje voor de visumaanvraag vul ik bij het vakje contactpersoon / hotel niets in. Na de overhandiging van een tiendollarbiljet geeft de beambte me de stempel waarmee ik een maandlang in het land mag blijven. Wanneer ik de controle van de inentingen voorbij ben, wil een politieagent mijn paspoort zien. Traag bladert hij door het boekje, tot een kleine man in burger hem aanspreekt. Ik heb de indruk dat het over mij gaat. De politieagent gesticuleert op een manier waaruit ik afleid dat hij me wil doorlaten, maar de andere schijnt daarmee niet akkoord te gaan. De politieagent zucht, als iemand die na een lange dagtaak vooral naar huis wil. De man in burger doet teken dat ik hem moet volgen. Terwijl hij me voorgaat, draait hij zich nog eenmaal om en keft iets naar de politieman. Het galmt in het halflege gebouw.
'Gaat u zitten,' zegt de man. Hij typt mijn paspoortgegevens in op een computer. 'Vertelt u mij eens wat u hier komt doen.'
'Ik ben hier op bezoek,' antwoord ik naar waarheid.
De man lijkt het niet gehoord te hebben. Hij knijpt zijn ogen samen, gefocust op zijn scherm. Voor een zwarte ziet zijn huid er droog uit, bijna craquelé. Het lokaaltje is maar zwak verlicht. Met mijn hemdsmouw veeg ik het zweet van mijn gezicht. Een seconde later voel ik het alweer parelen.
'U heeft geen hotel geboekt.'
'Voor ik een kamer boek, wil ik die eerst met mijn eigen ogen zien.'
'Dat kunt u toch online doen? Er zijn genoeg websites waarop hotels te vinden zijn, met de prijs erbij en foto's van de kamers.'
Zijn lachje heeft iets boosaardigs, zoals je vaker ziet bij kleine, gefrustreerde mannetjes. Moet ik aan zo iemand mijn ziel blootleggen?
'Eigenlijk wou ik op voorhand iemand contacteren maar dat is niet gelukt. Ze nam de telefoon niet op. Ik dacht direct bij mijn aankomst naar haar thuis te gaan.'
'U heeft dus een contactpersoon. Waarom vulde u deze dan niet in bij uw visumaanvraag?'
'Ik denk dat zij dat liever niet heeft. Maar als u wilt, kan ik alsnog een hotel invullen.'
Hij lacht gemeenlijk. 'Maar u heeft niets gereserveerd. Als u nu toch nog een hotel opgeeft, liegt u tegen ons. Wat komt u hier nu eigenlijk doen? Daarop heeft u nog niet geantwoord. Niemand komt hier zomaar op bezoek. Werkt u samen met de oppositie? Of heeft u problemen met de justitie in uw land? Ik vrees dat we eerst moeten onderzoeken wie u bent. Zolang kunt u in de transitzone plaatsnemen.'
'Maar...' begin ik, 'als u het me toestaat zal ik meteen bellen voor een kamer.'
'Brigadier!' roept hij.
Ogenblikkelijk gaat de deur van het lokaaltje open. De politieman van daarnet komt met grote passen op me af en slaat me in de boeien. De vermoeidheid van daarnet lijkt uit hem verdwenen.
'Brigadier, breng meneer naar de afgesloten transitzone.'
'Jawel, commandant.'
Ik strek me uit over de houten bank waarop zo-even nog Yussuf en zijn gezin zaten. Nu zijn ze allemaal samen naar het toilet. Ik vermoed dat ze er zich gaan wassen. Yussufs gezin bestaat uit een vrouw in niqab, drie jongens waarvan de oudste al een snorretje heeft, en drie stille meisjes. Buiten mijzelf zijn zij de enigen in de transitzone. We zitten er sinds vrijdagavond en zullen ten vroegste maandag opnieuw gehoord worden. Nog minimum zestien uren dus. Gisteren is de man van het cafetaria langsgekomen met een bak vol overschotten. Gewatteerde broodjes, flesjes water, colablikken. Alles aan twee dollar het stuk. Yussuf scheen niet geïnteresseerd in mijn verhaal, maar hij joeg zijn dochters van de zitbank, zodat er voor mij een hoekje vrijkwam. Toen ik vroeg waarom hij hier zat, toonde hij zijn handen. 'Mijn geloof,' zei hij. Hij maakte geen aanstalten meer uitleg te geven. Deze hoeft er wat mij betreft ook niet te komen. Ik voel mijn doorgezeten zitvlak, de klamheid van mijn huid, de scherpte van mijn botten. Ik ben bang voor infecties. Ik heb geen goed oog in wat de craqueléman van zinnens is.
Yussufs oudste zoon vraagt me uit over voetbalploegen. Hij kent de ploegen van mijn land beter dan ikzelf. Hij kent ook de spelers, hun vrouwen, hun auto's.
'En jij,' vraag ik. 'Wil jij voetballer worden?'
'Ja,' zegt hij. 'Voetballers hebben mooie vrouwen.' Met zijn hand geeft hij de grootte van hun borsten aan.
Ik schud het hoofd. Dat zo'n kind over vrouwen praat. 'Mag dat wel van je geloof,' vraag ik, 'naar vrouwen kijken?'
Hij lacht. 'Naar ongelovige vrouwen wel. Kijken, aankomen, het mag.'
Ik wil erop doorgaan. De dubbele moraal, zijn prille leeftijd, zijn kijk op het westen. Praten verdrijft de tijd. Maar hij geeft geen antwoord, grijnst alleen, klakt met zijn tong. Bij mij neemt de pijn het weer over. Ik vind geen zithouding meer. Ik maak een instant matje met de kleren die in mijn handbagage zitten. Een jasje, proper ondergoed, een paar sokken als hoofdkussen. De grond ligt vol pluisjes en dode insecten. Ik denk aan het zelfopblaasbaar matje dat ik op het laatst nog in mijn valies heb gepropt. Zou ik die morgen mogen ophalen? Ik lig alvast. Als ik blijf liggen, dommel ik vroeg of laat weg. Ik hoor een vliegtuig taxiën. Wellicht is het van de dezelfde luchtvaartmaatschappij die mij naar hier gevlogen heeft. De enige die deze uithoek op de kaart aandoet.
De camionette dokkert over een in een ver verleden geasfalteerde weg. Naast me schurkt Yussuf tegen me aan, aan de andere zijde geflankeerd door zijn drie zonen. Op de bankjes voor ons zitten een twintigtal mannen, dicht opeengepakt. Een grille scheidt ons van de chauffeur. In de deuropening achter me hangt een gewapende militair. Hij lijkt niet ouder dan veertien. Zonder een woord te zeggen was hij ons in alle vroegte komen halen. Bij het instappen in de camionette, duwde hij mijn hoofd omlaag zoals de politie het doet met een arrestant. Mijn aanwezigheid doet de mannen omkijken. Er ontstaat geroezemoes, tot de chauffeur iets roept. In zijn vehikel lijkt zijn gezag onomstreden. 'Waar gaan we naartoe?' vraag ik Yussuf. Met zijn wijsvinger gebiedt Yussufs oudste zoon mij te zwijgen. Na twee uur schokkerig navigeren door eindeloze voorsteden staan we voor een slagboom stil. Ik hoor krekels, vogels en op de achtergrond een generator. De chauffeur klimt weer aan boord. Heel traag kruipen we verder. Overal ruikt het naar verbrand rubber.
In de late namiddag word ik met veel overtuiging recht geholpen. Twee jongens in camouflagepakken jagen me vooruit tot in een slecht geventileerde zaal. Ik sta voor een lange tafel waarachter vier personen zitten. Het duurt even voor ik hun gezichten kan onderscheiden.
'Hit,' zegt de vrouw tegenover mij. Rechts van haar twee oudere mannen in uniform, links een streng ogende kerel in T-shirt. Hij blijkt de notulist te zijn.
'Wat zegt u?'
'Hit,' roept ze. Zit, begrijp ik. Ik ga zitten.
'Dit moet een misverstand zijn, mevrouw,' zeg ik. 'Mag ik het uitleggen?'
'Hu hult hantwoorden op de hragen die wij u htellen. Wat his het doel van huw reih?'
Alles staat bol bij de vrouw. Gezicht, boezem, armen. Haar uniform blinkt, alsof het van plastiek is. Ze geeft de indruk geen tanden te hebben. Misschien kan ik bij een vrouw toch op enig begrip rekenen. Vooruit dan maar, open kaart.
'Ik wil onderzoeken of ik hier mijn oude dag kan doorbrengen.'
Een van de oudere mannen schudt krampachtig het hoofd. Ik denk dat hij onwel wordt maar dan hoor ik hem lachen. Ze lachen alle vier. De notulist legt zijn pen neer.
'En waarom,' zegt hij, 'zou u in ons land immigreren? Meestal wordt hier geëmigreerd, niet geïmmigreerd.' Opnieuw gelach.
'Ik zoek een leven ver van het gewoel, weg van de crisis, de jachtigheid, de aanslagen, de verzuring. Dat er wat minder comfort is, neem ik er graag bij.'
'Heb je een bron van inkomen?' De notulist lijkt de ondervraging overgenomen te hebben.
'Ik heb mijn spaargeld. Ik zal hier een bankrekening openen en af en toe een bedrag overschrijven.'
'Waar denk je te gaan wonen?'
'Ik huur wel een appartement.' Goed voor de lokale economie. Daar kunnen ze niets op tegen hebben.
'Heb je hier contacten?'
Als de cracqueléman hen gebriefd heeft, weten ze ervan. Maar ze weten niet wie.
'Ik had een contact maar die persoon geeft geen antwoord wanneer ik bel.'
'Heb je het nummer? Dan bellen wij eens.'
Ze laten me geen keus. Ik haal mijn smartphone boven.
'Het spijt me. De batterij is plat.'
'En waar woont je contact precies? Op welk adres?'
'Waar ze woont weet ik niet. Ze werkt in Samora Machel Avenue, maar het nummer heb ik niet. Ik zal het gebouw herkennen wanneer ik het zie.'
'Wat deed ze dan? Wie is ze?'
'Ze stond in contact met mijn vrouw die voor een hulporganisatie werkte. Mijn vrouw is overleden.'
'Horry,' zegt de vrouw, 'wij... ' De krekels overstemmen haar. Wel een minuut lang zegt niemand iets.
'En de naam van het contact van je vrouw?' herneemt de notulist.
'Ik weet alleen dat ze Jackie heet.'
De notulist noteert het. Achter de rug van de dikke vrouw wisselt hij een blik met de oudste van de twee militairen.
'Juist, ja, Jackie,' zegt deze.
Het moet dinsdag zijn, of woensdag. Mijn benen trillen. Het zweet op mijn rug voelt koud aan, alsof ik malaria heb. De prak is niet te vreten. Het water komt uit een grote ton, die al een keer bijgevuld werd. Wie ervan wil drinken, dompelt er zijn beker in. Wie zoals ik geen beker heeft, maakt een kommetje met de handen. Sommige mannen gaan er naakt voorstaan terwijl een ander met veel kabaal water op hen gooit.
Ik heb me nog altijd niet gewassen. Mijn handbagage durf ik geen moment lossen. Notebook, smartphone, kredietkaart, in hun ogen moet het een fortuin waard zijn. Nog gezwegen van de cash. Toen ze de tas doorzochten, mocht ik alles houden, behalve mijn paspoort. Dat ging naar Binnenlandse Zaken, zei de notulist.
We zitten met enkele tientallen mannen in wat ik vermoed een detentiekamp is. We slapen in barakken. De blik waarmee sommige me bekijken jaagt me de stuipen op het lijf. Voortdurend let ik erop dat ik vanuit meerdere kanten kan gezien worden. Voor wie geen vrienden heeft, is sociale controle de enige bondgenoot.
Ik heb een nacht niet en een nacht wel geslapen. De planken van de brits staan in mijn flank afgedrukt. Naarmate de dag vordert wordt mijn stoelgang losser. De stank van de schijtput doet me niets meer. Zolang mijn knieën het maar niet begeven.
Yussufs zoon staat voor me. 'Kom je mee?' vraagt hij. Ik huppel achter hem aan. De wachter in uniform volgt ons met zijn ogen maar verroert niet. Door het hoge gras schrijden we naar een boom die tegen de prikkeldraad aangroeit. Er zit een man.
'Vijfhonderd,' zegt Yussufs zoon.
'Wat bedoel je?'
'Geef hem vijfhonderd dollar. Vannacht toont hij hoe we hier weggeraken. Buiten de stad wacht een pick-up op ons.'
'Ze hebben mijn paspoort. Ik kan niet weg.'
De jongen schudt het hoofd.
'Je paspoort krijg je niet meer terug. De pick-up is je enige kans. Ik help jou en later help jij mij, akkoord?'
'Waar brengt die pick-up ons?'
'Over de grens. Naar waar jij vandaan komt. Het is je enige kans. Je hebt hier geen familie. Niemand zal zich iets van je aantrekken.'
Een week later. Na twee valse starts en nog eens vijfhonderd dollar, is het gelukt. Ik zit met Yussufs zoon in een overvolle truck. 'Snel,' beet hij toen ik treuzelde bij de prikkeldraad. Hij wijkt niet meer van mijn zijde. Wanneer ik vraag waar zijn familie is, haalt hij de schouders op.
Er zit geen lijn in wat ik doe. Ik heb een dag in hurkhouding doorgebracht, daarna een dag bij de waterton, denkend aan Micheline, Jackie, mijn brievenbus thuis, boterhammen, de dikke vrouw, de notulist, alles wat me kon verlichten. Ik had me voorgesteld dat na de dood van Micheline niets me nog wat zou kunnen schelen. Maar niemand in het kamp praatte met mij. Ze praatten zelfs niet onder elkaar. Alleen de zon liet me weten dat ik deel was van een bestaan. Het bemoedigende opkomen, de redeloze hitte, het toeschietelijke ondergaan. Minder genade kende de aarde, met een stikkerige stoflaag en prikkende insecten. Mijn reistas nam de kleur van zand aan. De blikken van de mannen kregen iets geruststellend. Ik werd onzichtbaar voor hen, een gewoonte in hun dagindeling, een vertrouwd element in het gehavende landschap.
De truck stopt bij een bijna droge poel. Op bevel van de chauffeur springt iedereen eruit.
Traag komt een landcruiser van tussen het doornige struikgewas. Er stapt een man uit. Ik herken hem meteen.
Het is de man die naast me zat op het vliegtuig.
'Dit is uw ticket,' zegt hij. 'Ik breng u terug naar uw land. In comfortabele omstandigheden zoals u kunt zien. Niet iedereen beschikt over een landcruiser. Hoort die jongen bij u?'
Yussufs zoon neemt mijn hand vast.
'Hoeveel gaat het me kosten?' vraag ik.
De man glimlacht. Hij houdt een paspoort vast dat goed op het mijne gelijkt.
'Doet dat ertoe? Voor u is geld toch niet belangrijk? U heeft het me zelf verteld.'