Reizen zonder doel
Ten noorden van Antwerpen word ik, uitgeregende lifter meegenomen door een Nederlander, genaamd Peter Van Kalmthout. Hij ziet er net zo jong uit als ik maar hij heeft er toch al een doodleuk een wereldreis opzitten. Thailand, Japan, de Niagara Falls"... overal is hij al geweest, ik hoef nergens meer te gaan. Hij biedt mij onderdak aan in zijn studentenhuis te Utrecht, waar hij mij aan zijn vrienden voorstelt. Ik krijg het naambordje collega-reiziger.
's Avonds in de stamkroeg blijken die vrienden van hem meer geïnteresseerd in hun radijzen dan in zijn reizen, zodat ik ineens weer aan belang win. Want zo al niet de ervaringen, dan hebben we toch de passie gemeen, het gevoel voor plaatsnamen, uithoeken en mythische bestemmingen: topo.
"Kijk, kijk, een Italiaan", zegt het meisje achter de bar.
We kijken. We zien op het TV-scherm een gevederde Indiaan.
1979
Soms valt de avond en zoals in de dagen aan de universiteit, de mei-en-juni dagen, zwanger van openluchtfilms, examens en de 20 kilo papier die we 'de stof' noemden, zoals toen denk ik nu: weer heb ik niets gedaan. De 20 kilo bestaat nu niet uit papier maar uit textiel, een ijzeren camera, zeep, was- en beschermingsmateriaal. Examens zijn er niet bij, al verschijnen ze nog in mijn dromen. Alsof die stress, het halen van de bus, het vinden van een goedkoop hotel de stress van toen oproept. Weer heb ik niets gedaan: geen revelerende ervaringen, geen grensverleggende ontmoetingen, geen vorderingen op de weg"... Enkel die doorkruipende amoebe op de kaart.
Surabaya, jaren '80
Machinegeweervuur in de verte. Jeeps rijden het kamp binnen en drie zwaargewonde rebellen worden binnengebracht. Een armputatie in twee minuten. Korte belichtingstijd, ik ben geen journalist. Na een half uur lijkt het incident niet meer dan een dagdroom. Op de muur van de wachtzaal lees ik: ' I didn't expect to get anything done today and so far I haven't been disappointed'.
Nam Yao, grens Thailand-Laos, 1982
Als Srinagar ontwaakt, begeef ik mij naar de afgesproken plek. Een Tata-truck verwelkomt mij met veelbelovend motorgebrul. Aan boord gehesen, bevind ik mij tussen de chauffeur, de convoyeur, twee Balti's, een kleine dikkerd uit Drass en drie stralende Ladakhi "- want die gaan naar huis. Met zijn negenen gezellig in de cabine, het is maar voor twee dagen"... Na een half uur komen er nog eens drie kerels bij. De 'conducteur' en zijn broer, uitgebreid de boordpapieren controlerend, en nog een derde figuur die zichzelf aartsvadermanieren aanmeet maar verder knap naar de mesthoop ruikt.
's Middags spelen we dit trio weer kwijt maar dan moeten we aan de voet van een bergpas zelf wachten tot het konvooi uit de tegengestelde richting doorkomt. Er volgt een namiddag van starten en stoppen, van praten en geruchten opvangen"... dat de pas al dicht is, dat er aan de grens met Pakistan schermutselingen zijn"... "Pakistan is not sleeping" ... De chauffeur glimlacht als we weer eens stilvallen op de smalle keienweg omdat ëën enkele truck met een overhitte motor kampt. "In these things, India is a little bit behind". We krijgen thee en gepigmenteerde stamppot. Als de nacht valt, wurm ik me voorbij de balti's naar achteren, met nog geen halve meter vrije ruimte tussen lading en zeil. Door de zijkieren komt een ijzige tocht en aan slapen kom ik niet toe, temeer omdat de chauffeur het bestaat om in het holst van de nacht nog een paar keer aan te zetten. Alles davert: de meelzakken, het glaswerk en de vele los gestapelde kisten"... Ergens diep onderin klinkt zelfs het gepiep van kleine kuikentjes.
De volgende dag leggen we ze af, die resterende 350 kilometer. Er wordt hard gereden en hard gezwegen en een cassette vol steenoude rock moet er de moed inhouden. In het voor honderd procent sjiïtische Kargil, ontwaar ik alleen baardige mannen op straat, geen vrouwen. Daarna gaat het snel bergop en hoger, hoger"... We komen in een andere wereld. Een boomloos landschap waarover Kipling door de mond van zijn protagonist Kim ooit schreef: "dit is geen plaats voor mensen". Landschap, fysionomie en godsdienst worden bijgesteld: dit is Ladakh.
Leh, 1987
Otogar terminal. Elke dag een graad warmer, en elke dag is de blik van Allah somberder. Een man legt geduldig uit dat dit niet de foto van Allah is maar van Ataturk. Zelf is hij Iraniër. "What do you think of Khomeini?" vragen we. "Khomeini islam-crazy, me sex-crazy". Onze Hollandse reisgezel wist het direct: "Die man moet geholpen worden".
Dogubayazit, 1985
Anti-Choc
In Gwaka ging nog steeds de grap rond waarin ook mijn oom-missionaris E.H. Albert Brys figureerde, ofschoon die al sinds 1975 weg was uit de Evenaarsprovincie. Men had Albert wijsgemaakt dat in Bongandanga een pater goud aan het maken was puur uit bosgrond. 'Maar als je hem gaat opzoeken krijg je een pot voor je neus en mag je roeren'. Toen Albert op zijn post in Mbaya terugkeerde, vertelde hij dit door aan zijn collega met een stem van iemand die er het fijne van weet. Deze reisde de volgende dag onverwijld naar Bongandanga.
Gwaka, 1988
... en toen bleef hij staan bij een bocht in de weg en zei: 'Alain, hier heb ik dus mijn eerste neger doodgeschoten'. Ik wist eerst niet wat ik hoorde "..." Dit verhaal werd voor de zoveelste keer opgehaald op zo'n typische Belgisch-Congo dag, die gelukkig voor mijn lever gevolgd door een cola-en-fanta dag.
Kisangani
'Mon Dieu est plus grand que ton problème', stond op een bord in het station van Aketi, en eronder in een ander kleur: défense de cracher. En in de winkel ernaast: 'Toi demander crédit, moi refuser, toi faché. Moi donner crédit, toi insolvable, moi faché. Moi préferer toi faché'.
Waar het regenwoud overging in savanne kwam de auto-rail tot stilstand. De Chef de Service oordeelde dat we beter konden wachten tot de reguliere trein gepasseerd was. Hij telefoneerde druk naar de stations op de lijn. Nergens werd opgenomen "- of anders werkte de telefoon niet.
"Ce ne sont pas des bons éléments pour le MPR, ce sont des buveurs, des fumeurs de champs"... on va ballayer toute la ligne là ."
De nacht viel en we begonnen weer te rijden, het risico op een frontale botsing ten spijt.
In Hotel Uele kwam Paul, de Belgische plantagehouder me halen voor een avond met kip, bier en gezelschap. Zijn dertig jaar jongere inlandse vriendin die Chocolat heette, schonk regelmatig de glazen vol. Er was een Engelse toeriste die naar Aba wou, en vandaar naar Parque National de Garamba. Verder nog een broussepiloot van Roemeense afkomst. De gebeurtenissen van 1964 bleken nog niet verteerd. Paul's boy had hem gered van de opstandelingen. 'Ne le tue pas, c'est un bon'.
Volgens de Roemeen zou dat blind geweld vroeg of laat terugkeren. Hij had een theorie: l'Afrique, c'est le trou du monde. Le Zaïre, c'est le trou de l'Afrique. Et ici à Isiro, c'est le trou du Zaïre.
Hij vroeg mij uit: waar ik was geweest? En of daar wat bedrijvigheid was?
"A Lisala, il n'y a que le Scibe", zei ik.
"Ah on est mieux ici", zei hij, "parce qu'ici on a le Scibe et le Sida!"
Isiro, Haute-Zaïre, 1989
Nooit over politiek discussiëren
Jammu"... de naam zegt het al: jammin' in the name of the Lord.
Op weg naar Kashmir, 1987
Achter de Omayadenmoskee krijg ik een waterpijp toegeschoven. Tussen Arabische keelklanken door zegt iemand: "One hundred safeties for you".
Damascus, oudejaarsavond 1997
Olot, denk ik, o Lot, wees mij goed gezind.
Olot, Catalonië 1998
De dolmus bracht mij ongevraagd naar een lelijk gebouw dat heette zoals het rook: Hotel Petrol.
Batman, Oost-Turkije
Hoe conservatief een plek is, leid ik af uit de statieportretten. Khomeini en Kamenei, dat is beginselvast tot en met. Komt ook Katami erbij (de heilige drievuldigheid nu compleet), dan is het al een mildere variant. Valt Kamenei af, is er misschien sprake van een lichte dooi. Valt ook Khomeini af "- toch de vader des vaderlands "- dan zijn het echt wel reformisten. En als Katami ook nog lacht, dan kunnen we spreken van renegaten van het zuiverste water. Op sommige plaatsen kunnen ze niet kiezen of mikken ze op zeker door naast de lachende Katami toch maar weer de slecht gezinde Kamenei te hangen.
Kermanshah (Iran), 2000
"Stop bloody French nuclear bomb tests in our pacific !"
"Kiwi and Aussie get fuck, we've the bomb"
"Learn how to spell, French asshole"
"Arsehole?"
"No, asshole !"
(...)
"Nouvel Caledonie pour le Kanak !"
"Qui est-ce qui travaille? Qui est-ce qui paie?"
(Graffiti in de toiletten van Noumea airport)
"Historische rechten bestaan niet," zei ik, "je kunt de Palestijnen niet verdrijven omdat jullie Israëlitische voorouders daar ooit gewoond hebben".
Hij had zijn antwoord klaar: "Dus volgens jouw redenering kunnen de Palestijnen nu ook niet eisen dat we er weggaan omdat zij er tot 1948 zaten, zoiets?".
liftend in Duitsland, 1979
"C'est la vie", zeg ik.
"Inderdaad", antwoordt hij, "Tel-Aviv !"
Puerto Natales, 1989
Altijd maar verder
Hij leest een 19de eeuwse apocriefe versie van het Tibetaanse Dodenboek. In 1965 trok hij weg uit la France à Papa naar Egypte, daarna overland naar India. In 1973 was hij in Afghanistan in een poging om met hasjiesj de lichtjaren te bevatten. Met een Ford-Transit reden ze van Herat naar Mazar-i-Sharif. 65 kilometer de eerste dag, 20 kilometer de volgende dag. De dag erna nog 7 kilometer. Bij Balckh, de moeder van alle steden begon hij de losse onderdelen te verkopen. Met wat nog restte, speelde hij taxi in Pakistan en India tot het vehikel aan de grens in beslag werd genomen. Custodia dienden betaald"...
Het zijn situaties waarvan nooit duidelijk is hoe hij eruit geraakt was. Maar nu, 30 jaar later dus, lepelt hij samen met ons zijn noodle soup naar binnen. Hij noemt zichzelf Jepeto en is logisticus bij theater Le Chatelèt. Met Laurent, Anna en ik zijn we in het heiligdom Samye neergestreken. Als we in het aardedonker van het restaurant naar het guesthouse terugwandelen, praat hij verder tegen een Tibetaan, denkend dat het om Laurent ging: donc je me trouvais à Kaboul sans argent, alors que"...
Twee weken later duikt hij op in een nomadenkamp, hoog boven Tshurpu Gompa. Ik slurp thee en laat een duizend jaar oude leefwijze tot me doordringen. Tegelijk schud ik de horror van de nacht van me af, de intense koude, vlooien op het hoofdkussen en urinerende pelgrims in de slaapzaal. Dan liever een nomadentent en yakboter. "Eh"... ça va?" zegt hij als hij zijn verweerd gezicht binnensteekt. Hoe heeft hij me gevonden?
"De chauffeurs willen niet meer wachten, je moet nu mee als je hier niet wil overwinteren". Hij kijkt me aan met de blik van iemand die weet waarover hij spreekt.
Tshurpu, Tibet - 2004
Half zeven en de restauranthouder werkt mij de deur uit. 'Ga naar je hotel', zegt hij. Waarom? 'Deze tijd problemen in Kalimpong.'
Ik wandel door de onverlichte hoofdstraat waar iedereen gehaast schijnt te zijn. Dan stopt dertig meter achter me een auto en klinkt er een daverend schot. Ik spring in een deurgat van een wholesale-zaak. Seconden later verschijnt een legerpatrouille, vier man sterk. Ze schreeuwen alles en iedereen weg. Het is voorbij. Ik sukkel, tendinitis in de hielen, naar mijn lodge maar kijk voortdurend om, als was het naar Sodom en Gomorra.
Het voorplecht van de lodge, waar ik de enige gast ben. Een blikje rolt windgedreven naar me toe, als was het een molotov-cocktail dat voor mijn voeten tot ontploffing zal gebracht worden.
'Horlicks', zegt een stem, 'horlicks for you'.
Het is vijf uur in de morgen en de trein, als een Indische film, is zonder einde, zit vol karakters uit verschillende tijdperken, anachronismen, kent goeierds en kwaadaardige mephisto's, gevechten desnoods en onaangekondigde intermezzo's. Inpertinentie: mijn op 1.7 meter uitgemeten dwarscouchette geeft mij de indruk dat mijn hoofd er teveel aan is. Ik laat het naar beneden bengelen en zie de blauwgeverfde Bengaalse golf; de zee brengt een ander licht binnen: zijn dit de Andaman-eilanden ginds, neen toch? Ik had er in Gavin Young's Slow Boats over gelezen: 'I felt I was in a soundproofed room or, at least a timeproofed world. You could choose your century out here.' Ik zou er nooit geraken. Reizen is sowieso al een wiskundige limiet. Doelen zijn te benaderen maar nooit te bereiken. Het doel bereiken is zelfbedrog, het consumeert de drijfkracht zelf van de reiziger in kwestie. Misschien was dat wel de truuk van de echte ontdekkers: zij hielden het verlangen in stand.
'Sordid', ... 'sordid for you'...
Chow-feesten in een stadje in Orissa, een gehinduiseerde zonneverering in het zog van de Konarak-tempel. Een drankleverancier troont mij mee op zijn scooter. 'Ken je het land van deze white fellow?' pocht hij tegen zijn maat. Waar de mensen niet naar school hoeven, ze leren alles vanzelf; waar veel Duitsers zijn gesneuveld, waar ze alleen gekookt voedsel eten. Zijn maat knikte; ik knikte tegen de koppijn in, gevangen in gastvrijheid. Nog een country-liquor, vooruit dan maar. Wat zeg je? Rajiv Ghandi alhier? Er blijkt een manifestatie, ritmisch gedoe, veel volk en zowaar, temidden de meute, genietend van het spectakel en onwaarschijnlijk kwetsbaar zit de P.M. zoals dat enkel in India kan. Kijkt mij aan als wou hij zeggen: ge kunt beschikken, jongeman.
Goodbye sweet lassi, denk ik.
Calcutta Mail, jaren '80
Chau Doc Hotel. Daar moet je zijn voor een stoombad, vertelde ik aan twee toeristen. Eerst stoom, daarna een mandi, dan massage. Ik dacht: Mandi, a way of life.
"Mantra, a way of life?" (persoon nummer 2)
"No, mandi!" (ik)
Lawaai bemoeilijkt de conversatie. In dit Vietnam moet er vast een markt zijn voor geluidsdempers.
"Mandala."
"Yes? Nelson Mandela?"
Dat was de derde die er zich plots in mengde.
"No, mantra, he said."
Ik, hopeloos: "Mandi, Indonesian shower".
"Mantra, you mean tantra". (nummer drie)
"If it's a way of life, it could be karma".
"Karma, karnemelk zeker?" (ik was het beu)
"Nee maar, een Belg zeg!"
"Een mandi-Belg".
Dan zei nummer twee dat de boot naar Phu Nguoc mooi niet ging. In de moesson wordt de dienst onderbroken. Phu Nguoc viel in het water, typisch voor zo'n eiland. Eilanden zijn vallen, toch?
(...)
"Wel, ik ben er eerlijk gezegd niet honderd procent zeker van dat ze van de Khmer Rouge waren."
(haha, hij krabbelt al terug!). Zaterdagavond op het dakterras van Rex-hotel. Twee verdedigers van de Empire en een New Yorker genaamd Lee die hen met Mekong Whiskey opgoot. "O maar jullie hebben het fantastisch gedaan hoor. Winston Churchill zou trots op jullie geweest zijn..."
De jongste en blondste van de twee wist niet wat hij ermee aan moest. Gooide het snel op een ander onderwerp. Dat hij in deze streek geboren was (Hong Kong, komkom, is dat deze streek?) en er voorgoed wou blijven. Grassroots, zie je? Solliciteerde nu zogezegd op een UN-achtig iets in Pnom Penh. (Hij zeker?)
Hij declameerde verder maar Lee keek al een tijdje naar de videofilm en gaf er plots nogal niet redelijk op af. "Clint Eastwood, jongen toch, je moet toch beter kunnen!"
Een opgetutte Française lachte. Ik zei: "salut les copines!" Ze kwam erbij zitten en ik zag dat ze Malraux' Antimémoires bij zich had. Ik las, luidop: "Je me suis évadé, en 1940, avec le futur aumômier du Vercors...". Ze zei: "Ken je de Vercors?" "Neen", zei ik, "maar wel de Chartreuse.." We begonnen plaatsen in en rond de Alpen op te sommen. De andere tafelgasten nipten aan hun blik bier, dat nog een tijdje meemoest. Haar tante had in de Calmette gewoond en was er gewond geraakt bij een bomaanslag. "In 1966, ze had mijn vader een brief geschreven waarin ze vroeg of ze haar zoon naar Frankrijk mocht sturen". De wonde genas niet goed en ze stierf op een nacht dat de regen Saigon bijna op drift zette. "Niemand hoordde haar kreunen". "En haar zoon?", vroeg ik na enkele ogenblikken. "Maar laten we samen dineren", zei ze, "om acht uur, bij Maxime's."
"En hoe heet je?", vroeg ik nog.
"Yolande. Tot straks."
Toen begon de andere Brit tegen mij weer over Cambodia maar ik begon me onvrijwillig in snel toenemende mate te krabben. Alpen, Malraux, Calmette, ik was in één grote muggenbeet veranderd. Moest ik zo naar Maxime's?
Hoe heette ze? Yolande... toch niet met Timor-connecties?
Alles kan dus, alles is altijd mogelijk.
Die avond dineerde ik alleen. De donkere montagnard die mij bediende, zag dat ik in stilte leed en was gul met de wijn. J'aime votre pays, schreef ik op het 333-bierkaartje. Er stond nog van alles op dat kaartje. Rekeningen van clienten, kwam de ober me uitleggen, "dit hier is De Hele Lelijke: achttien dollar, en dit: Lange Met Puisten: twaalf dollar". Zo hielden ze ons uit elkaar.
De volgende dag vond ik in mijn hotel een boodschap van Yolande met een nieuwe uitnodiging.
Mekong Delta, 1992
Een blonde uit Baltimore was ontgoocheld in het landschap rond Ayer's Rock. Niet droog genoeg, in het voorjaar waren er overstromingen geweest. Het geleek zelfs niet op de foto's die ze gezien had. Toen ze mijn rugzak ontwaarde met vliegtuiglabels vroeg ze waar ik zoal geweest was. En daarna: 'Africa? Did you see the natives there?'
Bij het gastenboek wou een buslading Japanners met mij op de foto, één voor één. Ze waren ontgoocheld toen ik verklaarde geen auzzie te zijn. In de verte lagen de Olga's, daarachter de Gibson-woestijn. Zo zag de aarde eruit in de oertijd van de aborigine: vlak en leeg. In de droomtijd die hierop volgde ontwaakten de geesten van de voorouders, iguana of reuzekrekel; het landschap, waarover de blonde al wat minder teleurgesteld bleek. Ze wist dat ze een filmset was binnen- (of buiten- ?) gestapt. Ze zag mijn Japanners en lachte. Je bent nooit alleen als je het niet wil.
Een deel van Ayer's Rock is een heilige plaats voor de Aranda's, de stam van de Todd Rivier. Voor oningewijden die er binnenkomen geldt volgens de stamwetten de doodstraf. Maar de Aranda-stam is kwijnende, hun wetten worden niet nageleefd, hun kinderen trekken naar de stad. Je ziet ze in Alice, ronddwalend, uitdrukkingsloos, ontwaakt uit de diepe slaap van de dromentijd. De meesten vinden geen baantje - hoe zou het ook gekund hebben? - en belanden dronken en ruziemakend in de droge bedding van Todd River.
"Ze hebben een verstard en onhistorisch levensgevoel", zei een historicus uit Melbourne, "na de tijd van de dromen is er niets meer gebeurd".
De komst van de blanken, begon ik, de technologische achterstand.. Maar hij hoorde me zelfs niet, zijn redenering was niet af.
"Ze zijn doodsbang dat er iets zou veranderen. Net zoals de Azteken destijds. Dat werd hun ondergang. De fixatie, niet de blanken."
In de 'van' van Ray en Bob, het kortgefrazeerde verkopersduo uit Adelaïde, bollen we terug naar Alice Springs. Ergens halfweg hebben ze een afspraak met een klant die een stukje van de hoofdweg afwoont. "You can't mis it", had de kerel gezegd. Neen, dat kon niet want er was maar één huis, maar dat stukje bleek zoiets als 50 kilometers te beslaan. Tot overmaat van ramp was enkel zijn vrouw thuis en die wist van niets, laat staan dat ze geïnteresseerd zou zijn in ergonomische ligzetels.
De stemming in de van liep terug. De temperatuur buiten ook. Ray, de oudste van de twee bleek op de duur nog de spraakzaamste. Naar Engeland waar hij geboren was, ging hij nooit meer terug. "Je ziet daar geen wit gezicht meer. Allemaal onderkruipsel. Hier letten ze gelukkig beter op wie ze binnenlaten.. Ik ben er eens geweest, in London en zo, met vakantie. Vrouw en kind mee. In zeventig was het, voor drie weken. Na drie dagen moesten ze me tegenhouden of ik nam zo de vlieger terug."
In de lodge heerst koning televisie. Menig avondje schuift voorbij onder het openen van ijskoude bierblikken. Ik ben de enige niet-auzzie. Er zit een supermarket-kassier, klein, dik en ijsjes likkend, door Bob en Ray de big baby genoemd; verder enkele klusjesmannen, een kolos die met zijn motor de outback komt verkennen en, in de kamer naast die van mij, een vrouw met een kind. De vrouw spreekt met niemand, al is iedereen heel joviaal. De kleine vroeg mij eens: "are you a German?"
"No"', zei ik, "Belgian".
"That's in Germany."
"It's not", zei ik.
"It is!", schreeuwde hij.
"O.k.", zei ik, "so it is, isn't it?"
"It is!", schreeuwde hij nog eens.
's Avonds hoor ik 'm ruziemaken met zijn moeder in een vreemde taal. Israëlitisch of Pools misschien.
Ik ben alleen maar bang dat de vrouw er vandoor gaat en dat ik met die kleine dwingeland zit opgescheept.
De supermarket-boy kijkt, voorzien van twee zakken snoepgoed, naar ongeveer alles op T.V. De reclamespots zegt hij voor of zingt hij mee. Als Bob en Ray binnenvallen zit ik net te kaarten met de kolos en de kleine. "The boys are back in town", kondigt iemand aan. "What are you playing? Black Jack?", wil Ray weten. "Yep, corrupting him", zegt de kolos, naar de kleine knipogend. Nieuws op t.v.: Pentagon-medewerker Oliver North veroordeeld. "There!", zegt Ray, "I've always known the yank is corrupt!" Alsof dit hiermee nu pas bewezen was. Ik begin hem te mogen voor zijn opmerkingen, hoe verwerpelijk zijn standpunt bij wijlen ook was. Hij laat graag horen dat hij mee is met de moderne tijd. Als de clip van Madonna op t.v. komt, geven de boys commentaar.
Bob: "She's a very sexy lady, Madonna, isn't she?"
Ray: "Bet she is!"
Bob: "Look! Look! She's got nothing underneath!"
Ray: "! Yeah, probably not!"
Madonna: "Express yourself!"
Enkel termietenhopen, dood vee en autowrakken doorbraken de monotonie van de never-never. Er waren bijna geen tegenliggers, een enkele keer een road train met een kilometer rood stof er achteraan.
In Barrow Creek sliep ik, koud en met krampen, op de voorzit van de Holden die me een lift had gegeven. Het wegrestaurant van Three Ways had een staalharde jukebox van doen en langharige getattoeeerde dubbelgespierde Michelin-venten. Zouden allicht het liefst elk onaustralisch gezicht wegtimmeren. En zodoende aan hun weg timmeren.
Verder noordwaarts werd het warmer. We bereikten een camping nabij Daly Waters. Mijn gastheren sliepen in hun tent, met mij ervoor, als hun waakhond. In een naburige tent hielden ze een wedstrijd winden laten. Om half zes werd ik gewekt door een loslopend paard dat mijn haar likte. Schrok me verrot maar het bleek dat het beest bij de camping hoorde.
Ter hoogte van het stadje Katherine zagen we de eerste lifter. Hij had een bordje met 'Please!' op. Nog verder: graffiti op de brug. "Christ is the conqueror" en "Free Klaus Barbie". De twee samen leken me iets teveel van het goede.
"Darwin is very laid back", zei de blonde uit Baltimore. Ze heette Chrissie, was naar eigen zeggen schrijfster, zeer op haar gemak. In het zwembad waarop we keken werd gestoeid en stoer gedaan. Een kiwi vertelde het verhaal van zijn dichtgeslagen oog. Ik hoorde het laatste stukje, van toen hij zich bij de politie ging beklagen. 'We weten het', de kerel is onberekenbaar', hadden ze gezegd. Maar ze waren niet van plan iets te doen. 'This is the outback', luidde het.
Chrissie maakte zich populair met haar badpakje. De outback stond bekend om zijn mannenoverschot. "O.k. troep voyeurs, kijk maar goed toe". Toen ik haar later nog eens tegenkwam, las ze een boek van een andere schrijfster, een autobiografisch werk. Ze zat al aan de helft.
"Over haar moeder", zei ze geaffecteerd, "het is prachtig, ik herken er mijn eigen moeder in".
"Het boek dat ze zelf schreef, zo kreeg ik te horen, ging ook over haar jeugd en ook ... over haar moeder.
In feite moest ze nog beginnen maar de ideëen waren er al.
Op de cover van het boek stond een foto afgedrukt van de auteur. Ze leek de oudere zus wel van Chrissie, hetzelfde driehoekige gezicht, hetzelfde dunne blonde haar.
"Eigenlijk is het de derde keer dat ik het lees. Telkens geeft het me nieuwe ideëen."
Northern Territories, 1989
De oostelijke eilanden
Aan de Pelabuhan Paorate, de oude haven van Makassar ging ik de 'prahu bugis' bekijken, de legendarische piratenzeilers die vanuit Celebes de hele Zuid-Chinese zee beheersten en bij tijden terroriseerden. Het was toevallig vrijdag en tenminste vijf moskeeën schalden hun heavy metal over de dokken. Hoe armer het stadsgedeelte, hoe luider de volumeknop zou je denken.
Ik lunchte in een benauwde Rumah Makan waar enkel maar nasi campur te krijgen was. Toen ik opkeek zat Dick Holloway voor me, bierzwelgend, de blik op de oceaan, goudblond langharig en bevrijd van wat het gemoed kon drukken. Zijn levensroute loopt doorheen de County of Down, waar hij geboren was, Massachussets, Guatemala waar hasjish en hepatitis hem vonden, Guyana en Brazilië, waar hij afkickte op het 'spul' en de verslaving oversloeg op vrouwen, bij voorkeur jong en zwart. Hij praatte op me in als was ik zijn maat van die jaren. Ik zei dat ik naar Irian Jaya vertrok.
"Gelukzak. Irian is geen 'hello mister' zone. Jayapura is de beste stad van Azië als het op vrouwen aankomt. Of Hammadi, nog goedkoper."
Hij legde me omstandig uit welke copulatietechnieken in die contreien gebruikelijk waren. Eigenlijk is Azië één grote rouwmis voor de sexliefhebber, wist ik dat? Indonesië gaat dan nog, maar Thailand is puur commercie. India? "Ben je in Cochin geweest? Willington Island?" Zijn voorkeur ging waarlijk naar gore plekken uit en hier hadden ze ook zoiets. Had ik het openluchtbordeel nog niet gezien?
Hoe geraak ik van dit sujet af? Zullen we maar eens opstappen?
"Komaan, zoiets moet je toch gezien hebben!"
We wandelden naast elkaar. Hij gaat me toch niet overal volgen?
"Nu moet je mij eens over Afrika vertellen", zei Dick. "Hoe doen ze 't daar? Hebben prostituees aids? Ja, dan zal ik aids hebben, er is niets aan te doen. Komen ze je opzoeken in je hotelkamer? Jij weet er vast alles van, niet?"
(KM Umsini, -dagboek-)
Gisteren en de dag ervoor heb ik al slapend doorgebracht. De boot schoof langs Sulawesi, wisselde van halfrond. Ik vrees voor hepatitis of erger. Mijn kajuit deel ik met drie transmigranten, één Irianees en één 'stricte' moslim. Hendrik, de Irianees heeft me enkele keren eten bezorgd. Hij schijnt gefascineerd door de gedachte dat ik zijn land ga bezoeken. "Mister is antropoloog?" De anderen bekijken hem soms met ongeveinsde minachting. Indonesië en Melanesië, komt het nog ooit goed? Wankel sleep ik me naar de poliklinik.
De dokters, als figuren uit een stripverhaal, kletsen op hun billen van plezier. "Hier, antibiotica! Hier cloroquine! Wil je nog iets?" De diagnose duurt een halve seconde. "Het is koude griep wat je hebt. Iedereen heeft het!"
Neen, ik ben niet de enige orang barat aan boord. Op een verkenningstocht door dit formidabele schip ontwaar ik een Canadees die de bijbel leest. Medicijnen studeert hij nu, missionaris wordt hij later. Intussen trekt hij van missiepost naar missiepost, vrijelijk zichzelf inviterend. Ik hoef over mezelf niets te vertellen, zijn declamaties vullen moeiteloos de ijdele dagen op zee. Zijn vriendin was kennelijk moe geworden van de orient en hij had haar gezegd: 'Maar Irene, God heeft je de kans gegeven hier Zijn Woord te verspreiden en Zijn Huis te bouwen en alles wat je doet is klagen'. Ik dacht aan Dick Holloway. Ik zei: "Vreemd, in Ujung Pandang heb ik iemand gezien die goed op jou trekt, in elk geval, hij geloofde ook heilig in zijn zaak.."
De andere Europeaan is ook een rare snuiter, een Zwitserse dramaturg die hier, op het achterplecht stukken pleegt te schrijven. Ah, tout cela, ça m'inspire! Met schoenen aan is hij nog geen meter vijftig en, gehuisvest in Ekonomi Kelas overleeft hij sinds het verlaten van Surabaya op eieren en koffie. Aanschuiven voor een bord rijst met groenten ziet hij niet zitten.
We varen de Molukken binnen, vulkaan na vulkaan, het water turquoiser dan ooit en we leggen aan in Ternate. Dit is het meest oostenlijke uiteinde van de islamitische wereld, afgelijnd met een marineblauwe ballustrade en het verwaarloosde Fort Oranje. De Zwitser, die alleen Frans spreekt, wil hier enkele dagen blijven tot de boot terugkomt. In het uur of zo dat we aanleggen moet ik zijn situatie verduidelijken aan de mensen van de Pelni-compagnie en aan een hoteluitbater. Gelukkig spreken allen bahasa.
In Anna Forbes' "Unbeaten Tracks" lees ik gedetailleerde beschrijvingen van Banda, Ambon en het dorpje Waai en, zelf in een verheven landschap opgenomen, met rondom mij de tientallen Indonesiërs die mij nu kennen en vriendelijk begroeten, krijg ik ineens weer het euforische gevoel dat 'alles beweegt' of 'nooit genoeg, er is altijd meer' of 'ik reis, ik besta' noemt. Het gevoel achter de reling van een schip dat alsmaar verder vaart.
In de bar van tweede klasse krijgen we 'film'. Het schijnt er niet toe te doen welke. Eerst een huilerige prent over een blind meisje waaruit de zachtgekookte kus- en streelscenes opvallend zijn weggeknipt, tot de cassette plots van spoor verspringt en we midden een knal- en schietprent terechtkomen. Dit gaat zo nog even door terwijl achterin het zaaltje een gelegenheidsquartet een deuntje inzet voor enkele dansende paartjes; dansen is hier van alle emoties ontdaan maar wel niet stressvrij, want de goegemeente kijkt nauwlettend toe. Tenslotte zet de maitre d'hotel de video af. Dat hebben we dan ook alweer gehad.
Vanmorgen aan stuurboord: de Vogelkop, de Geelvinkbaai, Irian Jaya. Geen vulkanen meer; iets wilder, donkerder en ouder. Woeste bergketens en regenwoud. Het ondoordringbare.
We maken een halte te Manokwari, de oudste stad van Irian. Het regent slagwater. Javanen geven me een lift naar de transmigrasiwijk. Oorverdovende hardrock in die wagen, na dertig seconden stap ik uit. Verward zoek ik mijn weg terug naar de aanlegsteiger.
Anna Forbes brengt me er terug bovenop. "It was most amusing to see the natives examinating the old coats and trousers, holding them up to the light to find holes and stains: when the garment was very bad it was rejected in disgust. And to see the captious purchasers! As if a few holes mattered!"
(Naar het middelpunt der aarde, -notities-)
Rook, mist, zoete aardappel. Nacht en met ik weet niet hoeveel moeten we in dat kruipkot zien te slapen. De bewoners nestelen zich in de bovenverdiepeng, in wezen niet meer dan een wankel platform, waar de rook zich eeuwigdurend een weg naar buiten filtert. Ik hoor ze keuvelen 'éh-wah-wah..'; verbrand stro valt naar beneden telkens een oude zich draait, daar. Terimah kasih, zeg ik, dank je. Twee dani's die nog bij het vuur zitten, onderbreken hun geprevel. Ze waren me komen bekijken en onderhouden nu een diminuendo met de geesten. Op een onmogelijk uur - het is reeds ijzig koud - hoor ik meerstemmig gezang, een voorbijtrekkend groepje dat tegen de nacht in zingt.
Kilometers en dagen van gemene boomwortels, losse rotsblokken, slijknatte voeten. De twee woorden Dani die ik leer zijn wah en wam. Wah: hallo, en wam is een dik dier dat knort. Soms, al heb ik het nooit gezien, wordt een weesbiggetje door Dani-vrouwtjes gezoogd. Gezonde competitie met hun eigen kroost. Wam!, een snelheid insinuerend die het dier niet van nature heeft. Of het moesten al de gevleugelde varkens van P.W. Wodehouse zijn.
Ik kom in een dorp met een landingsstrook. Mijn drager had elke dag de prijs verhoogd en ik ga meteen naar de politiepost om het dispuut uit te klaren. De politie bestaat uit drie serviele ambonezen die meteen aan mijn kant staan. 'Orang Irian kasar, tidah baik!'. Zo breng ik, gebruik makend van een etnisch conflict, de prijs tot aanvaardbare proporties terug. In een verlaten missiehuis vind ik een bed voor enkele nachten. Een opgespelde boodschap vraagt per nacht 4000 Rs. in een daartoe bestemd sigarenkistje op te bergen. Aan de muur hangt een hertengewei en wel zeven oude kalenders, de oudste van het jaar '69. Op tafel een verzameling prentjes van mij onbekende sporthelden. En een boekje vol oude liedjes: 'A New Commandement', 'Blessed be the Lord', 'Thou are worthy', 'Jesus took my weakness, 'But I will sing', 'Whatever you ask for' en, voor wie er nog zou aan twijfelen 'God is not a man'.
Twee dagen later. Temidden van de hoogmis verbreekt motorgeronk de stille film die om het bergdorp hangt. Allen rennen de landingsstrip op; de politie jaagt er de hele troep terug af. De 'Merpati' laat zich zakken. Net voor zijn wielen het gras raken, spurt nog een hond naar de overkant. De bemanning: een piloot en een soort kaartjesknipper. Een 'boarding pass' heb je evenwel niet nodig hier. Behoudens passagiers en hun baggage moeten er ook twee varkens mee. Enkele dani's en een politieman komen aan boord afscheid van me nemen. Ik krijg zelfs een adres op de Molukken waar ik altijd welkom ben. Dan geeft het dikste van de twee varkens een schreeuw en we stijgen op.
Biak, het stadje op het gelijknamige eiland, waar allicht het zweet is uitgevonden. De meest indonesisch aandoende stad van de hele vijfentwintigste provincie, die andere wereld. Weinig kroeshaar, veel irritante transmigranten, soms verwijfde typetjes. In Holloway's optiek bevind ik mij in een hello-mister zone. Ik probeer andermaal tevergeefs een pas voor Enarotali te krijgen. In het politiekantoor hangt de Golkar-kaart van Cendrawasih-distrik. Alles schommelt tussen 85 en 95 procent volgzaamheid ten aanzien van de Suharto-clique.
'Enarotali is closed'.
Ik stap op maar de bediende houdt me aan de praat. Begint zowaar in het Nederlands. "En heb je ook boekjes meegebracht uit Europa?" Ik toon hem mijn reisgids en Ballard's 'Empire of the Sun'. Neen, dat was het niet, hij bedoelt: boekjes. En omdat ik hem niet begrijpend aankijk, krabbelt hij iets op een briefje en schuift het mij toe: 'for adults'.
In Bosnik, het onwaarschijnlijke hoofdkwartier van de Hollanders destijds, herinneren enkel de beruchte grotten, steigers en roestende kannonnen nog aan '44. Japan bezette de kust, de Amerikanen gingen over tot de onmogelijk geachte landing. Koraalrif, vijf meter strand en dan loodrechte rotsen.
Nu lopen hier ook twee amerikanen rond. Toeristen, gisteren nog in Bali, 'bound for L.A.' en nu één dag vastzittend 'in this dump'.
In de grotten waar ooit de jappen standhielden alvorens te stikken door gasbommen stoken kleine melanesische speelvogels nu vvurtjes. Geen mens herinnert zich die oorlog, het was ook de hunne niet.. Anna Forbes : "Some ashes on the floor showed they made fire and were thus above the brute creation."
Ik trek verder en verzeil in Korim Bay, te gast bij een ambtenaar uit Sulawezi, belast met geboorteplanning. Uitgerust met luidsprekers, grote educatieve prenten en massa's condooms gaat hij dag na dag de inboorlingen bekeren tot de driekindergedachte. Een vreemde politiek, want de Melanesiërs zijn in decennia nauwelijks in aantal toegenomen. De Indonesiërs daarentegen verdubbelen hun getal per generatie. Verovering door outnumbering. Maar de man in kwestie is te goeder trouw: hij heeft zelfs vasectomie gepleegd.
Op de terugweg bots ik op een kaukasusgezicht, John Van de Vijver genaamd, zoon van een zeeman uit Vlissingen en een inlandse. Ik krijg het adres van zijn vader mee: "Je hebt gezien hoe ik hier woon, zeg hem dat hij wat geld opstuurt." Hij gidst mij naar een plek in het regenwoud waar een enorme kloof geslagen is in de enorme kalksteen. Dynamietomhulsels maken duidelijk dat de Jappen, toen alles verloren was, zichzelf met hun laatste mobiele radiostation hadden opgeblazen.
De hele plek ruikt vermolmd, stikkend in het woekerende vormloze plantenrijk. Hoeveel stukjes oorlog en vernielde mens wil ik nog hebben? Was ik hiervoor gekomen?
Zoals Levy-Strauss: 'Je hais les voyages et les explorateurs. Et voici que je m'apprête à raconter mes expéditions... L'aventure n'a pas de place dans la profession d'etnographe; elle en est seulement une servitude...'.
Martin Watofa was moedeloos geworden. De International Labour Organisation had hem eerst in Jayapura en daarna in Sabah opgeleid tot electrieker, en hier was hij nu: nog steeds landarbeider. Zijn adres op Gunung Jati, de flank van Manokwari, had ik van John Van de Vijver. In het huis van Bapak Arwam, de 'guru', bleek alleen nog een tachtigjarige toverkol te huizen. Het mensje keek me ongelovig aan, zelfs na overhandiging van mijn geloofsbrieven. Tegen borgsom krijg ik evenwel een bed voor de nacht maar aan slapen kom ik niet toe: vlooien of ander bijtend spul. Daarenboven blijkt opeens een varken binnengedrongen in de kamer van de ibu. Wat een gekrakeel.
De volgende dag biedt Martin Watofa aan de ongelukkige gast over te nemen. We eten 'es canpur' en gaan vlinders kijken bij een collectioneur, de oude schoolmeester van Martin. De man, die Nederlands spreekt, hoort me dermate uit over voetbal in Europa dat ik nauwelijks de kans krijg over de 'situatie' te beginnen. "1963? ja, heel erg,", komt er tenslotte uit, maar niets vergeleken met '42. Verder geraken we niet. Mijn nieuwsgierige stemming zakt weg; ik ben zozeer onder de indruk van de geschiedenis die als een trein over gewone mensen heenraast dat ik aan vragen niet meer toekom. De man had zijn geloof verloren en daarmee de sympathie van de Blanke missionarissen. Enkel zijn vlinders interesseerden hem nog. En voetbal. Zijn vader, vertelde Watofa later, was door de Jappen vermoord omdat hij een blanke had verstopt. De blanke was gevlucht en neergeschoten. Zijn vader moest een put delven en er samen met het lijk plaats in nemen, waarna de soldaten hem toegooiden.
Op de cendrawasih-universiteit werd ik ten stelligste afgeraden het Arfakgebied te gaan opzoeken. Gevaarlijk, luidde het, en niets te zien. "Niet akkoord", zegt Ian Crevin, die de WWF-post van Manokwari bemant. "Een speciaal gebied, de breuklijn tussen de Australische, Pacifische en Azische vlakken." Er is 'the lesser bird of paradise'. Opstandjes van de OPM? Hier niet, wel aan de grens met Papua Nieuw Guinea en ooit eenmaal op Puncak Jaya (de Carstenz Top), wegens de onpopulaire Freeport Copper Mine waar wel Filipino's en Javanezen maar geen papua's in dienst zijn.
De avond valt en een Canadese professor komt binnen. Topagronoom, cynisch, goed betaald en vol verhalen, van Lesotho, Ghana, Mongolië, Irian en tenslotte de all-time favoriet: PNG. Lachen geblazen. Politiek à la minute. Telefonische interventies in het parlement. Rascals die Australische vrouwen verkrachten, tweemaal zo groot als henzelf. En de Sepik, met een prauw ergens rond Green River.
Altijd Green River.
'Lousy morning', begroet mij MAF-piloot Dave Rask. Even later brengt hij me naar de fabelachtige Anggi-meren en stijgt onmiddellijk weer op. Vaarwel Cessna, hallo Sururei - zo heet de compound. De twintig Papua's om me heen zeggen me dat ik de gast van Sam Ahoren ben, de guru. Een schoolmeester.
Ik krijg een kamer met een wankel rieten bed. Alles is nat, altijd regent het hier. Sam is een ware persoonlijkheid die zijn onderwijzende taak met bravoure brengt. Kennis van zaken, ik weet het zo niet, maar in de brousse hier steekt het niet zo nauw. Zoals de oude Congo-paters plachten te zeggen: als je ze leert lezen, schrijven en tellen en ze dragen een broek, dat is al veel. Maar Sam heeft meer in petto. Als ik het letterwoord OPM (Organisasi Papua Merdeka) laat vallen, is hij niet meer te stoppen. Zijn vader was OPM, drie keer doodgeschoten en drie keer teruggekeerd onder de levenden, hijzelf is OPM, iedereen is OPM, ook de dorpspastoor en de misdienaar. 's Avonds komen we bijeen, bij kaarslicht, en Sam begint over het jaar XX dat het jaar van de opstand zou worden. Australië, Lybië en het machtige Fiji zouden hen steunen. Mooie vrienden heb je, denk ik en zeg: 'Wat moet er met de transmigrasi?' Dat zit hem dwars. Ja, Irian Jaya? Irian Java is het geworden. Daar lachen ze dan weer mee. En ik denk: och, sukkels, je maakt geen schijn van kans.
Het regent elke dag opnieuw. Ik trek naar andere kampungs. Slijk en tegemoetkomende varkens zijn mijn deel. Soms is er een flard zon die even, tweelichtend, aangeeft hoe onwerelds mooi de streek van Anggi wel is. Ik steek een stuk berg af, verdwaal, beland in een kletterende vlaag. Ik maak van mijn manteltje een kom om uit te drinken. Tot de essentie van mens-zijn herleid, zo voel ik me, verder kan ik niet gaan.
Het wordt zeventien augustus. Alle inwoners van de dorpen moeten naar Irai, de desa, want het is de nationale dag. We roeien ernaartoe over het grootste van de twee meren. Merdeka, merdeka, merdeka (vrijheid!). Het doet mij alsmaar denken aan : merde! merde!, ik kan het ook niet helpen. De chef van Irai geeft een lange speech: de verdiensten van Jakarta, de pancasilah, de godsdienstvrijheid en dat Merpati hier van volgend jaar af een wekelijkse vlucht verzorgt. Zoveel heb ik ervan begrepen. Ik zie twee militairen, alle kampungbewoners netjes in 't gelid opgesteld en slechts één niet-Irianees (mezelf buiten beschouwing latend). Er volgen volksspelletjes, in de war gestuurd door een geweldige storm. De chef roept me binnen, knikt vriendelijk. Zijn vrouw brengt vis, rijst, koekjes en zowaar koffie. Ik begrijp dat mijn aanwezigheid de hele gelegenheid alleen maar plechtiger heeft gemaakt - de eerste toerist sinds, ja sinds wanneer?
Na lang zoeken vind ik dragers voor de tocht naar Ransiki, aan de kust. Heel Sururei doet me uitgeleide, Sam, de pastoor, ook de kwajongens die zo goed volleybal spelen. We moeten met een bootje het meer oversteken. Aan de kleine steiger het grote afscheid. Gejoel, bye-bye's, tranen met tuiten zelfs. Wat beteken ik toch voor hen? Even wekt het me uit mijn emotioneel gesluimer, daarna word ik terug overvallen door de stilte van de roeislag in het meer.
De tocht begint goed. We moeten over de Gunung Kobrey, door moerassen, kniediep en dan, de meren voorgoed achterlatend, over de 2500 meter hoge Norvoor. Dan een afdaling die nooit ophoudt, toendra, kreupelhout, echte jungle. Natte voeten, een kapotte teennagel en de Arfakkers kilometers voor me uit.
Na 12 uren strompelen bereiken we een éénhuiskampung waar ik opeet wat me nog aan bonen rest. Vlooien bij het binnenvuurtje, een overnachting in de serie 'wij betalen niet'.
De tweede dag is nog meer glijden en glibberen en door doornige groene tunnels kruipen, in zoverre dat ik mijn zin voor humor begin te verliezen, de dragers, het land en zelfs de ontwikkelingshulp tout court vervloekend.
Laat in de namiddag zie ik dat de struiken aan weerszijden van het pad een merkwaardig geordend patroon vertonen. We bevinden ons in de grote cacao-plantage van Ransiki.
Manokwari, 1989
Deze dagboekfragmenten werden opgenomen in:
'De wereld is blind. Anthologie en topogrammen' (uitgegeven in eigen beheer, 2007)